Share this article

Gezelschap en eenzaamheid - deel 3

Feuilleton - deel 3 – de ontwikkeling van de uiterlijke zeden

Dit is een lang artikel! Neem een stukje tijd mee bij het lezen.

Geen tijd? Ik heb aan het begin ook een samenvatting voor je opgenomen.

 

Samenvatting

 

Dit derde en laatste deel van mijn onderzoek naar gezelschap en eenzaamheid richt zich op de ontwikkeling van de uiterlijke zeden: de omgangsvormen, gewoonten en gedragsregels waarmee mensen hun onderlinge verkeer vormgeven. In mijn tijd waren vooral twee begrippen belangrijk: 'Anstand', het maatschappelijk gepaste gedrag, en 'Artigkeit', de kunst om prettig, vriendelijk en hoffelijk met anderen om te gaan. Deze omgangsvormen waren sterk verbonden met maatschappelijke rang en positie. Ze vormden echter vooral een beschaafde buitenkant, die weinig hoefde te zeggen over iemands werkelijke karakter of morele overtuigingen.

 

Ik heb onderzocht hoe mensen zich gedragen binnen uiteenlopende gezelschappen, van familiekringen, koffiehuizen en clubs tot ministeries, het leger, het onderwijs en de medische wereld. Daarbij keek ik naar de verhoudingen tussen meerderen en ondergeschikten, tussen gelijk-gestelden en tussen beroepsbeoefenaren en hun klanten. Mijn uitgangspunt was dat mensen in belangrijke mate worden gedreven door eigen belang en eigen gewin. Ook de neiging om anderen na te doen, zich met hen te vergelijken en te verlangen naar wat zij bezitten, beïnvloedt ons gedrag. Hoewel veel maatschappelijke verhoudingen sinds mijn tijd zijn veranderd, herken ik deze menselijke drijfveren nog altijd.

 

Naast gezelschap heb ik verschillende vormen van eenzaamheid onderzocht. Sommige ontstaan door de omstandigheden waarin mensen leven, zoals bij jagers, nomaden, kolonisten of bewoners van grote steden of juist het afgelegen platteland. Andere vormen van eenzaamheid zijn bewust gekozen, bijvoorbeeld vanuit religieuze of filosofische overwegingen. Vooral het onderzoek naar de eenzaamheid in de grote stad heeft mijzelf een spiegel voorgehouden. Ik besefte dat mijn eigen terugtrekking uit gezelschappen niet alleen voortkwam uit behoefte aan rust, maar ook uit gekrenkte trots. Ik voelde mij onvoldoende gezien en gewaardeerd, terwijl ik mij tegelijkertijd intellectueel boven anderen verheven achtte.


Ik beschouw de mens van nature als een sociaal wezen, dat behoefte heeft aan gezelschap, erkenning en verbondenheid. In het samenzijn delen we gedachten en ervaringen, voelen we genegenheid en leven we met anderen mee. Gesprekken, gezamenlijke maaltijden, muziek en vermaak maken het leven aangenamer. Ook het gevoel uitgenodigd, gezien en gewaardeerd te worden, geeft voldoening. Door regelmatig met anderen om te gaan, ontwikkelen we bovendien onze sociale vaardigheden. Gezelschap vervult daarmee een wezenlijke menselijke behoefte, al speelt ook onze ijdelheid daarin een niet te onderschatten rol.

 

Tegelijkertijd zie ik hoe belastend gezelschap kan zijn. Het vraagt aanpassing aan regels, verwachtingen en maatschappelijke verhoudingen, vaak ten koste van onze persoonlijke vrijheid. Ongelijkheid, onderlinge wedijver, gekrenkte gevoelens en botsende meningen kunnen het samenzijn onaangenaam maken. Soms voelen we ons midden tussen andere mensen eenzamer dan wanneer we werkelijk alleen zijn. De regels van 'Anstand' en 'Artigkeit' moeten deze spanningen beheersbaar houden, maar kunnen ook een schijnwereld creëren waarin onderhuidse ergernissen blijven voortbestaan. Daar komen verveling, oppervlakkige gesprekken en een overmaat aan prikkels nog bij.

 

In de eenzaamheid vind ik daarentegen vrijheid, rust en ruimte om zelfstandig na te denken. Ik hoef mij niet voortdurend aan anderen aan te passen en kan mij ongestoord wijden aan de natuur, mijn boeken en mijn schrijfwerk. Juist in afzondering kunnen gedachten rijpen en nieuwe inzichten ontstaan. Toch kent ook de eenzaamheid haar schaduwzijden. Wie te lang alleen blijft, mist de mogelijkheid ideeën te delen en erkenning te ontvangen. Het besef vergeten of niet gemist te worden, kan omslaan in verdriet, frustratie en angst. Daarom blijft ook voor mij het contact met anderen noodzakelijk, hoezeer ik de afzondering ook waardeer.

 

Terugkijkend concludeer ik dat gezelschap en eenzaamheid beide hun waarde en hun beperkingen hebben. De uiterlijke zeden zijn door de eeuwen heen veranderd, maar de menselijke natuur is in mijn ogen grotendeels dezelfde gebleven. Eigen belang, begeerte, trots en de behoefte aan erkenning bepalen nog altijd veel van ons gedrag. Omgangsvormen helpen ons deze krachten te beteugelen en het samenleven draaglijk en aangenaam te houden, ook wanneer zij soms niet meer zijn dan een laagje beschavend vernis. Ik blijf daarom zoeken naar een evenwicht tussen de noodzaak van gezelschap en de vrijheid van eenzaamheid. En wanneer het maatschappelijke toneelspel mij te veel wordt, weet ik dat ik mij altijd nog in de weldadige rust van mijn eigen gezelschap kan terugtrekken.

 

Inleiding

 

Ik heb een groot deel van mijn leven onderzoek gedaan naar hoe mensen zich in gezelschap gedragen, welke zeden, gebruiken en gewoonten daarbij belangrijk zijn, welke deugden daar dan weer bij horen en waar het vaak schuurt en wringt.

 

In de jaren 90 van de 18e eeuw, de laatste jaren van mijn leven, heb ik specifiek onderzoek gedaan naar de invloed die ‘gezelschappen’ en ‘eenzaamheid’ hebben op de ontwikkeling van de mens. In het onderzoek ga ik achtereenvolgens in op:

  1. De ontwikkeling van het verstand,
  2. De ontwikkeling van het karakter en
  3. De ontwikkeling van de uiterlijke zeden.

 

Op 5 september 2026 heb ik een eerste artikel hierover gepubliceerd, over het thema ‘De ontwikkeling van het verstand’. 25 oktober 2026 verscheen deel 2: ‘De ontwikkeling van het karakter. Dit is deel 3, het laatste deel, van het feuilleton. In dit deel ga ik in op het thema; de ontwikkeling van de uiterlijke zeden.

 

Vooraf wil ik nog graag nog iets over het werk toelichten. Deel 3 is twee jaar na mijn overlijden als apart boek uitgegeven, in het jaar 1800. Ik heb de eindredactie zelf niet meer kunnen doen. Twee van mijn vrienden hebben het boek destijds samengesteld, naar eer en geweten.

 

Ze hebben de aantekeningen gebruikt die ik in de jaren voorafgaand aan mijn versterven zelf hierover gekrabbeld had, toen ik dat nog kon. Toen mijn gezondheid steeds verder achteruitging en ik zelf niet meer kon schrijven, heb ik mijn gedachten gedicteerd. Letterlijk tot op de dag van mijn overlijden toe; op mijn sterfbed werden ook mijn laatste gedachten nog aan papier toevertrouwd.

 

Uiterlijke zeden

 

Ik wil eerst wat meer uitleggen over het begrip ‘Uiterlijke zeden’. Dat is anno 2026 een oubollige term uit een ver verleden. Alle begrip voor. In mijn dagen was het echter een belangrijk en veelgebruikt begrip. Het ging daarbij over omgangsvormen, over maatschappelijk zichtbaar gedrag en over de houding die iemand uitstraalde.

 

Om even wat meer context te geven. In de loop van de 18e eeuw was had Burgerij toch gevormd tot een belangrijke klasse in de maatschappij. Dat was niet alleen in Pruisen het geval, dat gold bijna Europa-breed. Maar dus ook in Pruisen. Aan de ene kant bestond de traditionele standenmaatschappij, waarin het gedrag van iemand moest overeenkomen met zijn maatschappelijke rang. Aan de andere kant ontwikkelde zich een burgerlijk beschavingsideaal, waarin opvoeding, redelijkheid, zelfbeheersing en beschaafde omgang steeds belangrijker werden.

 

De Burgerij als klasse was zelf weer verdeeld in verschillende klassenniveaus. Het bovenste niveau schuurde heel erg aan tegen de klasse van de aristocratie, de adel. De middenklasse probeerde zich dan weer te gaan vergelijken met de hogere klasse, enz. Grote gemene deler op ieder niveau was dat men zich probeerde te spiegelen aan het 'net-hoger-gelegen-niveau', de zeden en gewoonten van dat niveau overnemen en nadoen.

 

Er werd dus heel erg naar elkaar gekeken in hoe het hoorde. Dat ging om welke gedragsregels gepast waren, maar ook over kleding, houding en gebaren. ‘Het begrip ‘uiterlijke zeden ‘verwees het naar de manier waarop iemand door zijn houding, kleding, taalgebruik, gebaren en gedrag in gezelschap liet zien dat hij of zij de maatschappelijke gedragsregels kende en respecteerde.

 

Ik wil hier expliciet benadrukken dat het echt ging om het uiterlijk vertoon. Het zei niets over de innerlijke morele overtuigingen van iemand. Iemand kon zich perfect conform de ‘uiterlijke zeden’ gedragen en van binnen moreel zo verrot zijn als een mispel.

 

In dat spel, want het was natuurlijk een spel, waren voor de Pruis twee begrippen cruciaal ‘Anstand’ en ‘Artigkeit’. Wederom twee begrippen die historisch heel tijdgebonden waren en die voor de huidige mens een nadere toelichting nodig hebben.

 

‘Anstand’

 

Dit begrip is in het Nederlands niet met één woord te vertalen. ‘Anstand’ is het zich gedragen zoals het hoort. Het verwees naar gedrag dat als passend, waardig en maatschappelijk aanvaardbaar werd beschouwd. Het ging om gepastheid in kleding, houding, taalgebruik en optreden. Het was ook in sterke mate normatief; je moest het zo-en-zo doen!

 

Daarbij was dat zo-en-zo sterk afhankelijk van iemands beroep, ambt en/of maatschappelijke positie. Een ambtenaar, officier, predikant of burger moest zich gedragen op een wijze die overeenkwam met zijn maatschappelijke positie. ‘Anstand’ was dus niet alleen een kwestie van goede manieren. Het begrip hield ook verband met maatschappelijke orde, eerbaarheid, reputatie en respectabiliteit.

 

‘Artigkeit’

 

‘Artigkeit’ heeft veel met ‘Anstand’ te maken, maar verwees in sterkere mate naar de concrete manier waarop iemand met andere mensen omging; de manier van tegemoet treden, de manier waarop iemand prettig gezelschap was.

 

Het woord omvatte eigenschappen als vriendelijkheid, attent zijn, beleefdheid, hoffelijkheid en het vermogen anderen op een aangename manier tegemoet te treden. Een ‘artiger’ mens was iemand die wist hoe hij zich in gezelschap moest gedragen, zonder anderen te beledigen, te kwetsen of onnodig in verlegenheid te brengen.

 

Het begrip kon echter ook een andere nuance hebben. Vooral bij kinderen en ondergeschikten kon ‘artig’ betekenen: gehoorzaam, gedisciplineerd en goed opgevoed. Daarmee had ‘artigkeit’ zowel een horizontale betekenis — hoffelijkheid tussen mensen — als een verticale betekenis: het gepaste gedrag tegenover een meerdere.

 

Opzet van het boek

 

Ik begin het boek met een overzicht in vogelvlucht van de ontwikkeling van de ‘uiterlijke zeden’ vanaf de tijd dat de mens besloot in groepen samen te leven (heel lang geleden) en ga langs de oude Grieken en Romeinen door de middeleeuwen heen naar de nieuwe tijd, mijn tijd van destijds. Ik doe dat met grote-stappen-snel-thuis.

 

Vervolgens geef ik een nadere analyse van de soorten gezelschappen en de soorten eenzaamheid die in mijn tijd maatschappelijk speelden, hun kenmerken en de do’s en don’ts. Zoiets als een praktijkhandboek met hints en tips. Om een beeld te geven bij de soorten gezelschappen en soorten eenzaamheid volgt hier een kort overzicht.

 

Het overzicht volgt de structuur in het boek. Zoals je ziet heb ik dit destijds bijzonder systematisch en gestructureerd uitgewerkt. Misschien daardoor ook wel een beetje droog en zonder kleur, geur en smaak van mezelf. Misschien was ik als schrijver ook wel een beetje een ‘droogkloot’. Ik voelde me vaak meer observator en onderzoeker dan een literair essayist. Het heeft in ieder geval wel rake observaties opgeleverd.

 

Soorten gezelschap

 

Ik maak op het hoogste niveau onderscheid in twee typen gezelschappen. Ieder type heeft een nadere onderverdeling. Dit geeft het volgende overzicht:

 

A.    Gezelschappen voor ontspanning en vermaak

          I.       Hof- en Pronkgezelschappen

         II.       Familiegezelschappen

        III.       Koffiehuis gezelschappen

        IV.      Clubs

                   1) Politieke clubs

       2) Clubs voor geleerden

        V.       Gezelschappen in de openbare ruimte; op de markt

 

B.    Gezelschappen voor zakelijke aangelegenheden

          I.       Gezelschap voor de regeringszaken (de vorst, de ministers en de rechters)

         II.       Gezelschap voor het militair-wezen

        III.       Het zakelijk verkeer binnen de handels-, beroeps- en ambacht-stand

       IV.       Het zakelijk verkeer binnen het onderwijs

                  1) Leraren van de kerk

                 2) Leraren voor het onderwijs aan de jeugd (lager, middelbaar, universiteit)

        V.       Het zakelijk verkeer tussen artsen.

 

Ieder type gezelschap I t/m V bevat in het boek nog een verdere uitsplitsing. Het gaat voor dit artikel te ver om die verdere uitsplitsing uitputtend te behandelen. Dat schiet zijn doel voorbij. Het gaat hier om een algemene indruk.

 

Algemene indruk gezelschappen

 

Over die algemene indruk gesproken. Bij de beschrijving van ieder type heb ik hetzelfde stramien gebruikt. Die bestaat uit drie invalshoeken:

  1. De relatie met de mensen op een hogere of met een lagere positie binnen de hiërarchie van dat type gezelschap: de verticale relatie.
  2. De relatie met de mensen op hetzelfde niveau binnen de hiërarchie: de horizontale relatie.
  3. Voor de zakelijke typen gezelschap heb ik naast de beide bovenstaande relaties ook de relatie beschreven tussen de persoon die het beroep of ambacht uitoefent en de persoon voor wie het product of de dienst bedoeld is: de klantrelatie.

 

Nu ik de tekst weer een keer teruggelezen heb valt me ook op dat ik gewerkt heb vanuit een specifiek mensbeeld. Dat mensbeeld kenschetst zich door het volgende:

  1. De mens wordt gedreven door ‘eigen belang’ en ‘eigen gewin’. Dat geldt niet alleen voor ministers en kooplieden; dat geldt voor iedereen, dus ook de mensen die binnen de Kerk een positie hebben, voor leraren op school en voor artsen. Iedereen!
  2. Vanwege punt 1 heb ik in mij analyse ook betrokken op welke manier de mensen in hun beroep betaald worden; de financiering van hun arbeid. En de prikkels die daar vanuit gaan.
  3. Mensen in gezelschappen zijn vaak - onbewust – geneigd zich aan anderen te spiegelen, ze na te willen doen, ze na te willen apen. Daarbij willen ze vaak hebben wat die ander ook heeft, of kunnen doen wat een ander ook doet. De macht van het elkaar na willen doen onder mensen is groot.

 

Om het nog even met andere woorden te zeggen. Ik was dus per type gezelschap in eerste instantie geïnteresseerd in de manier waarop men zijn geld verdiend. Vervolgens ging ik vanuit de drijfveer ‘eigen belang / eigen gewin’ zoek naar de prikkels die hierdoor werden opgewekt. Tenslotte probeerde ik te observeren hoe dat zichtbaar werd in houding en gedrag van mensen, en hoe dat zich dan weer verhield tot de gangbare gewoonten en zeden binnen dat type gezelschap.

 

Als ik tenslotte naar mijn tekst van destijds kijk dan besef ik dat een aantal van de type gezelschappen nu uit de tijd zijn, maar een aantal ook niet. Het leger blijft het leger, de artsen blijven artsen en ministeries blijven ministeries waar gekonkeld en gefoezeld wordt.

 

Het onderwijs aan jeugdigen is er ook nog steeds, en de manier waarop dat gebeurt staat ook nog steeds ter discussie, net als toen en altijd (lijkt het wel). Sommige dingen lijken gewoonweg niet echt te veranderen. Ook de hierboven genoemde eigenschappen uit mijn mensbeeld zijn niet veranderd. Niet echt.

 

Vanuit die constatering zou het best een idee kunnen zijn om specifieke delen uit het boek, een specifiek type gezelschap, een keer in detail door te lezen en voor jezelf na te gaan welke handvatten je nog steeds kan gebruiken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het lezen van mijn observaties hoe het reilt en zeilt binnen een Ministerie.

 

Ook daar is – denk ik – niet veel veranderd in de manier van omgang met elkaar; het gaat immers nog steeds over ‘eigen belang’, ‘eigen gewin’ en macht. Het zou zelfs kunnen dat dit een mooie blauwdruk kan zijn voor meerdere grotere organisaties met veel verticale en horizontale relaties. Maar goed, we moeten de tekst dan wel eerst naar het huidige Nederlands op b1-niveau omzetten. Zou moeten kunnen.

 

Soorten eenzaamheid

 

Ook voor eenzaamheid heb ik onderscheid gemaakt in verschillende typen. Ook hier op hoofd- en subniveau:

 

A.    Eenzaamheid die voortkomt uit de situatie waarin de mens verkeert

          I.   Eenzaamheid door het type groep waar de mens toe behoort

               1) Eenzaamheid van de jager

              2) Eenzaamheid van de nomade

              3) Eenzaamheid van de kolonist

         II.   Eenzaamheid door de positie van de mens binnen de staat

               1) Eenzaamheid van de mens in de grote stad

              2) Eenzaamheid van de mens op het platte land of afgelegen stad

 

B.    Eenzaamheid die voortkomt uit een bewust keuze die de mens maakt

          I.   Religieuze eenzaamheid

         II.   Filosofische eenzaamheid / de eenzaamheid van een geleerde

 

Nu ik het zo teruglees, besef ik dat het deel over eenzaamheid veel minder in detail in uitgewerkt dan het deel over de gezelschappen. Ik herinner ook dat ik dit in de laatste weken en dagen voor mijn versterven nog vanuit bed gedicteerd heb. Het is te hapsnap en niet echt af. Het is bij de uitgave in 1800 door mijn vrienden zo goed mogelijk afgemaakt. We moeten het er nu mee doen.

 

Algemene indruk eenzaamheid

 

De vormen van eenzaamheid van de jager, de nomade en de kolonist zijn vormen van eenzaamheid, waarbij een groep mensen in kleine of iets grotere kring samen in de weidsheid van de natuur proberen te overleven, meer dan overleven, zo proberen daar met elkaar gelukkig te zijn. De aard van de groep heeft directe invloed op de ontwikkeling van de zeden en de gewoonten van de mensen binnen die groep.

 

De jagers zijn vaak hele kleine groepen, verplaatsen zich snel en hebben alleen goed wat makkelijk mee te nemen is, heel weinig dus. De anderen hebben dat ook niet, dus er eigenlijk geen ruimte om te ervaren dat andere mensen het beter hebben dan jij, hetgeen heel veel gedoe met de deugden scheelt.

 

De nomaden zijn vaak al kleine leefgemeenschappen, die langere tijd op dezelfde plek blijven, voordat ze weer naar elders gaan. Vaak hebben ze kuddes schapen en/of geiten, die moeten grazen en die een deel van hun voedsel zijn. Omdat ze een kortere of langere tijd ergens in de weidsheid een vaste standplaats hebben, hebben ze ook meer spullen, meer comfort en dus ook meer prikkels van anderen die het beter hebben, die meer hebben. Daar begint het nadoen en de begeerte naar spullen.

 

De kolonisten zijn meestal gezinnen uit West-Europese landen die de grote oversteek naar Canada of de (toen net nieuwe) Verenigde Staten van America hebben gewaagd; een republiek met ongekende mogelijkheden. Ze hebben de luxe, de gewoonten en zeden van het oude thuis achter zich gelaten, en zijn in de ‘middle-of-nowhere’ als gezin, of als groep gezinnen, opnieuw begonnen.

 

Ze moeten leren omgaan met het opbouwen van een nieuwe (eigen) set aan zeden en gewoonten, die passen op die nieuwe situatie. Ze moeten de oude afleren. En dat is niet makkelijk. Zeker niet samen met de ontberingen van een nieuw bestaan in een vreemd en ruig land.

 

Een tweede groep eenzamen treffen we aan in de grote steden, het platteland of de afgelegen steden in de uithoeken van het land. Ook voor deze rubriek bespreek ik een aantal mogelijke situaties. Ik heb daarbij de aanname dat de mens in essentie behoefte heeft ‘gezien’ te worden, gewaardeerd te worden.

 

In de grote stad komt het des te harder aan als niemand jou ziet staan, als niemand jou vraagt om mee te komen, mee te doen. Je ziet alom mensen die gezellig bij elkaar zijn, maar jij niet!

 

Dat gevoel van eenzaamheid wordt des te intenser als je denkt dat je wel degelijk iets te bieden hebt, maar niemand ziet het of reageert daarop. Zoals ik de tekst nu herlees, gaat dit deel van het boek eigenlijk over mijzelf. Mijn eigen gevoelde eenzaamheid in de grote stad.

 

En nu ik toch zo in mijn spiegel kijk; die gevoelde eenzaamheid kwam voort uit het feit dat ik me in de meeste gezelschappen waarin ik heb verkeerd, me eigenlijk wel verheven voelde boven de andere aanwezigen. Ook was ik van mening dat ik niet voldoende gezien en erkent werd; ook niet door de mensen wiens vriend ik dacht te zijn, die ik als mijn vrienden beschouwde.

 

Dat, gecombineerd met mijn trots, heeft me doen besluiten om die gezelschappen dan maar niet meer te bezoeken en het genoegzaam met mezelf goed te kunnen vinden. Genoeg aan mezelf; zelfgenoegzaam.

 

Eigenlijk trok ik mezelf uit die gezelschappen terug uit trots, gekrenkte trots, uit hoogmoed me intellectueel beter te voelen dab de rest. Ik voelde me meer dan de anderen; keek ook op ze neer. Eigenlijk wilde ik door de andere gezien worden, gewaardeerd, geliefd ook wel. Toen ik dat niet kreeg trok ik me verder in eenzaamheid terug. Net als Rousseau gedaan had.

 

Op het platteland vervangt de schoonheid van de natuur de ‘vereiste’ aanwezigheid van mensen. Die mensen zijn er ook gewoonweg niet. In ieder geval veel minder. En die er zijn, doen lekker gewoon. Een soort ijdelheid voorbij. En dat is best prettig om geen deel meer te zijn van die maskerades, van dat toneelspelen.

 

Bekeken vanuit het perspectief van de eenzaamheid van het platteland leek dat hele gedoe met de zeden op basis van ‘Anstand’ en ‘Artigkeit’ op niets anders dan het ophouden van de schijn; een mooie, beleefde verpakking om ‘eigen belang’ en ‘eigen gewin’ netjes af te dekken en binnen de perken te houden. En iedereen deed mee. Deed je niet meer mee, dan was je af. Zoals dat bij een spelletje past.

 

De laatste categorie van eenzaamheid is de zelfverkozen eenzaamheid. Ik maakte onderscheid tussen de eenzaamheid uit religieuze redenen (kloosterordes en monniken) en de gekozen eenzaamheid van een filosoof of geleerde (ik dus).

 

Voor de gekozen eenzaamheid op grond van religieuze overwegingen had ik geen goed woord over. Ik zag dat ronduit als een leugen, als een illusie, als bedrog. Het betrof ook geen individuele eenzaamheid. Eigen zijn kloosterordes gezelschappen die zichzelf hele strenge regels hebben opgelegd en als groep zich buiten de seculiere orde willen plaatsen.

 

Voor de zelfgekozen eenzaamheid van de filosoof en de geleerde had (en heb) ik alle begrip. Het is gewoon nodig om je in eenzaamheid terug te trekken om je gedachten goed op een rij te zetten en uit te werken en tot ideeën te komen.

 

Die eenzaamheid moet ook niet te lang duren; je wil immers de wereld laten weten tot welke inzichten en ideeën je gekomen bent, wat je hebt uitgedacht. En daarvoor moet je je weer in de gezelschappen laten horen, hoe lastig dat ook is. Je wil immers gehoord worden. Althans, ik wilde dat wel.

 

Gezelschap en eenzaamheid – de ‘voors en tegens’

 

Aan het eind van het boek heb ik destijds een soort van samenvatting gemaakt. Ik heb de aangename en niet-aangename aspecten van respectievelijk Gezelschap en Eenzaamheid nog een keer onder elkaar gezet.

 

De aangename aspecten van gezelschap

 

Uitgangspunt voor mij is de aanname dat de mens het meeste plezier beleeft aan het samen zijn met andere mensen; de mens is van nature een groepsdier, een dier dat graag bij diens soortgenoten is, zowel om redenen van veiligheid, het elkaar beschermen, als om sociale redenen met elkaar te verkeren. We hebben andere mensen om ons heen nodig!

 

Gevolg is dat we in een gezelschap ons leven dubbel leven; 1) we hebben ons eigen leven en 2) we leven met het leven van de anderen mee. Dit heeft twee aspecten: 1) de uitwisseling van gedachten en ervaringen en 2) de sympathie die we naar elkaar hebben. Hiervoor is gesprek met elkaar nodig; dat is zelf onontbeerlijk. Daarbij komen ook het voelen van genegenheid en liefde en de aandacht die daar uit voort komt.

 

Omdat je niet de hele dag, iedere dag, 24/7 met elkaar in gesprek kan, hebben we ook dingen bedacht om de tijd op een gezellige manier met elkaar door te brengen. Zo is er allereest het samen eten en drinken. Soms is alcohol nodig om de mens iets losser te maken.

 

Daarnaast hebben we vermaak bedacht in de vorm van spelletjes doen, naar muziek luisteren en stukje toneel, een voordracht. Om het allemaal boeiend te houden en de saaiheid tegen te gaan van het alleen met elkaar praten en de stiltes die dan onherroepelijk, vroeger of later, vallen.

 

Voor de individuele mens is het belangrijk dat hij gezien en gewaardeerd wordt. Daarom voelt het goed als je voor een gezelschap wordt uitgenodigd, het liefst zo tijdig mogelijk; dat geeft het gevoel ‘belangrijk’ voor die ander te zijn. En ja, dat is ook ijdelheid. Omgekeerd is het niet fijn voor je zelfvertrouwen als je juist niet gevraagd wordt. Je voelt je dan gekwetst. Ook dat is ijdelheid. En ja, hoe meer je naar gezelschappen gaat, hoe makkelijker en prettiger je in de omgang wordt en hoe groter je netwerk wordt.

 

Het verkeren in gezelschappen, de juiste gezelschappen natuurlijk, voorziet in een sociale basisbehoefte van de mens. Maar er is ook een keerzijde.

 

De onaangename aspecten van gezelschap

 

Het verkeren in een gezelschap brengt ook regels en gewoonten met zich mee. Het verkeren in een gezelschap legt een soort dwang op, hoe je je moet gedragen. Je moet daarvoor dingen van jezelf opofferen. Ik weet van mezelf dat ik hier altijd heel allergisch voor geweest ben.

 

Daarnaast kan het je gebeuren dat je je in de groep achtergesteld voelt. Er wordt niet naar je geluisterd, je wordt niet gehoord of je wordt zelfs helemaal niet opgemerkt (“Was jij er ook?”). Het ergste is als je je in een gezelschap niet op je plek voelt , en toch moet, omdat verwacht wordt dat je erbij bent. Op die momenten kan je je in een gezelschap heel eenzaam voelen. Veel eenzamer als dat je alleen thuis zou zitten.

 

Ook zijn de deelnemers in een gezelschap vaak heel diverse, qua bijvoorbeeld maatschappelijke klasse, opleiding, beroep, etc. Hierdoor heerst er in het gezelschap vaak een bepaalde manier van ongelijkheid. Door die ervaren ongelijkheid is het makkelijker om gekrenkt te worden; dat het je heel duidelijk wordt dat je er eigenlijk niet bij hoort.

 

Dat kan komen door je opleidingsniveau, je maatschappelijke positie, maar ook door bijvoorbeeld je kleding, de vakantieverhalen die je niet kan vertellen, de grootte van je keuken die tegen elkaar wordt opgeboden, etc. Ook kan het gewoonweg zijn dat je te weinig kennis hebt van de gangbare gespreksonderwerpen om aan het gesprek zinvol bij te dragen.

 

Een ander aspect is dat je je ook moet onderwerpen, direct of via de band, aan de meningen die anderen over je denkbeelden of over jou als persoon hebben. Ook daar moet je goed tegen bestand zijn; de zogenoemde olifantshuid hebben.

 

En heb je dan een levendig gesprek over een bepaald onderwerp, dan kan dat in een grote groep makkelijk uit de hand lopen; van meningsverschillen, via onenigheid naar ruzie toe. Vooral binnen familie-gezelschappen heeft dit een eigen dynamiek. Soms kunnen gezelschappen daardoor ook weer uit elkaar vallen, niet meer bij elkaar willen komen, versterven omdat niemand er nog zin aan heeft.

 

Om met al deze bovenstaande mogelijke onaangenaamheden om te gaan, hebben gezelschappen de regels en gewoonten voor de ‘Anstand’ en de ‘Artigkeit’ bedacht. Deze moeten de mogelijk oplaaiende emoties binnen de perken houden. Mogelijke consequentie is wel dat door het ophouden van de ‘Anstand’ en ‘Artigkeit’, het laagje vernis om ons heen, de haat en nijd onderhuids steeds verder kunnen etteren, tot het moment dat de uitbarsting komt.

 

Uit eigen ervaring weet ik dat in de koffiehuizen de bom relatief snel tot ontploffing kon komen. Die groep was het meest diverse, het meest ongelijk, de regels voor ‘Anstand’ en ‘Artigkeit’ waren daar het dunst.

 

Een andere mogelijke onaangenaamheid is kans op ‘saaiheid’. Vaak hebben de mensen die als gezelschap bij elkaar zijn een gebrek aan interesse en nieuwsgierigheid naar de anderen toe. Er worden de gangbare koetjes en kalfjes besproken, maar er zijn te weinig echter gespreksonderwerpen om het samenzijn met gesprek alleen levendig te houden. Doorgaans wordt dit opgevangen door het eten en drinken waarin voorzien wordt.

 

Daarbij is het gebruik van alcohol heel gangbaar om de mensen wat losser te maken. Vaak worden er ook spelletjes gedaan. Dat allemaal om ervoor te zorgen dat het niet saai wordt en de mensen door gebrek aan vermaak ‘knorrig’ worden, en weg willen gaan of branie gaan schoppen.

 

Extra factor is dat iedere nieuwe editie van het samenkomen ook nieuwe dingen moet brengen. Mensen willen niet iedere keer dezelfde verhalen van elkaar horen, steeds dezelfde dingen doen. Daar knap je op af. Het wordt dan al weer heel snel saai en de volgende keer heb je geen zin meer om te gaan. Het moet dus levendig blijven; soms geforceerd levendig.

 

Het is al best een lijst geworden. Maar er is toch ook nog een laatste punt. Als het aantal mensen in het gezelschap te groot is, zeker als het ook levendig is, kan het zijn dat je gewoonweg teveel prikkel krijgt. Het is te druk. Er praten teveel mensen door elkaar. Er staat muziek op. Eigenlijk kan je geen gesprek meer goed volgen, laat staan inhaken. Ook dan kan je je snel ongelukkig voelen en verlang je ernaar weg te gaan, te gaan afwassen of zo, of gewoon de eenzaamheid op te zoeken.

 

NB. Nu ik dit weer allemaal zo samenvat besef ik ook dat ik de punten van onaangenaamheid meer in detail heb uitgewerkt dan de rest. Ik denk dat dit ook te maken heeft gehad met mijn eigen ‘er tegen opzien’ om tussen gezelschappen te verkeren.

 

De onaangename aspecten van eenzaamheid

 

De eenzaamheid is heerlijk om rustig over dingen na te kunnen denken en tot nieuwe ideeën te komen. Dat kunnen ook ideeën zijn waar het zaadje geplant is in een gesprek dat je in een gezelschap gehad hebt. Maar zo lekker in je eenzaamheid kan je er langer, breder en dieper over doordenken.

 

Echter, die nieuwe gedachten en ideeën wil je vaak niet alleen voor jezelf houden. Je wilt ze anderen vertellen. En dat kan niet als je alleen bent. Te lang alleen kan dan zelfs gaan frustreren.

 

Wat ook tot frustratie kan leiden is dat je niet tot gedachten of ideeën kan komen, ondanks dat je in eenzaamheid bent gegaan. Je gevoel alleen en eenzaam te zijn wordt dan lastiger. Want moet je dan?

 

Wat ook kan is dat je in je eenzaamheid een bevestiging krijgt dat je door niemand gemist wordt, dat je vergeten wordt. Dat kan heel confronterend zijn. je kan daar heel neerslachtig van worden.

 

Je bent in je eenzaamheid alleen, niemand mist je, niemand vraagt naar je; dat kan ook leiden tot angst en bangigheid, dat je er ook helemaal alleen voor staat.

 

De aangename aspecten van eenzaamheid

 

Ik eindig positief. Het grote voordeel van eenzaamheid, althans dat vind ik, is dat je baas bent van je eigen tijd, wat je doet, wat je laat, hoe je je kleed, enz. Wil ik de hele dag alleen in mijn ochtendjas lopen, poedeltje naakt eronder? Helemaal prima. Niemand die het ziet. Niemand die daar iets van vind.

 

En dan die rust, geen gewauwel om je heen, geen drukdoenerij, geen afspraken waar je eigenlijk geen zin in hebt. Alleen natuur en boeken, en nog eens boeken, en schrijfpapier, stapels schrijfpapier. Heerlijk! Je merkt het; ik hou van eenzaamheid.

 

Epiloog

 

Met dit derde deel heb ik het gehele werk ‘Over Gezelschap en Eenzaamheid’ nog een keer voor jou als lezer doorgenomen en in drie korte artikelen verwerkt. Nogmaals het werk bestaat uit twee boeken met in totaal zo’n 800 pagina’s.

 

Het zal geen verrassing zijn als ik schrijf dat het werk heel veel voorbeelden uit de praktijk bevat, over hele concrete situaties. Hoe kom je anders aan 800 pagina’s! Het voerde te ver om al die voorbeelden uit te werken.

 

Een deel van de voorbeelden zijn ook echt gedateerd; hebben betrekking op de stukje samenleving dat er anno 2026 niet meer is. Andere voorbeelden zouden het waard zijn om in de huidige tijd geprojecteerd te worden. Wellicht doe ik dat nog een keer.

 

Wat in mijn beeld niet veranderd is, is de aard van de mens. Diens drijfveren, diens angsten en begeerten. In mijn tijd probeerden we die rauwe binnenkant te omgeven met omgangsvormen op het gebied van ‘Anstand’ en ‘Artigkeit’; een geforceerde buitenkant, om de rauwe binnenkant af te dekken en van enige uiterlijk politoer te voorzien. Het was natuurlijk allemaal schone schijn, maar het was wel fijn.

 

Anno 2026 hebben we de meeste van de gewoonten en omgangsvormen uit mijn tijd vervangen door nieuwe, minder knellend, maar toch ook knellend. En ook die huidige omgangsvormen, dat ‘Hoe heurt het eigenlijk?’ is er om de rauwe mens binnen te houden en het leven met elkaar vriendelijk en gedempt te houden. Want wat een primaire krachten zitten er in ons, met ‘eigen belang’ als vader en ‘eigen gewin’ als moeder.

 

Wat een krachten. Wat een krachten. Wie ze vrijlaat, wie ze op de mensen loslaat, diegene die dat doet, die moet terug naar ‘start’, of is gewoon af, mag niet meer meespelen, wordt buiten de groep gezet.

 

Gelukkig is er nog een laatste redmiddel, hup de eenzaamheid in.

 

<einde van het feuilleton>

Recente artikelen

door Christian • 25 oktober 2026
Over het veranderen van begrippen
door Christian • 24 oktober 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel 2
door Rob • 17 oktober 2026
We zijn allemaal 'mee-weters'
door Rob • 20 september 2026
Christians brieven aan zijn moeder 
door Rob • 12 september 2026
Over een brief aan zijn moeder
door Friedrich Nietzsche • 6 september 2026
Over eenzaamheid
door Christian • 5 september 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel I
door Rob • 4 september 2026
Brieven aan een vriendin
door Christian • 28 augustus 2026
Over Plutarchus
door Rob • 16 augustus 2026
Pleidooi van een rebel
Show More