Gezelschap en eenzaamheid - deel I
Feuilleton - deel I – de ontwikkeling van het verstand
Dit is een lang artikel! Neem een stukje tijd mee bij het lezen.
Inleiding
Ik heb een groot deel van mijn leven onderzoek gedaan naar hoe mensen zich in gezelschap gedragen, welke zeden, gebruiken en gewoonten daarbij belangrijk zijn, welke deugden daar dan weer bij horen en waar het vaak schuurt en wringt.
Zelf woonde in een groot deel van mijn leven bij mijn moeder. Mijn lievelingsplek was mijn studeer- en werkkamer. In m’n uppie lekker met mijn neus in de boeken. Je zou kunnen zeggen dat ik in een soort van eenzaamheid leefde. Mijn moeder even niet meegerekend. Eigenlijk waren we samen tweezaam.
Na het overlijden van mijn moeder in 1792, ik was net 50 geworden, bleef ik alleen in het huis achter. Kort daarna besefte ik dat ik eigenlijk nog geen goed onderzoek had gedaan naar de invloed die ‘gezelschappen’ en ‘eenzaamheid’ op de ontwikkeling van de mens hebben. Kortom, ik had weer een mooi thema om uit te werken, alleen in dat grote huis.
Al met al is het een dik boek geworden, in twee delen uitgebracht. Het eerste deel is uitgebracht in 1797. Helaas overleed ik in 1798. Ik was nog volop bezig met het tweede deel. Mijn vrienden hebben op basis van mijn aantekeningen het tweede deel alsnog in 1800 uitgegeven, postuum zoals dat heet.
Ik heb mijn onderzoek heel gestructureerd uitgevoerd, zoals ik dat van mij gewend was. In de inleiding van het boek geef ik aan wat de aanleiding van het onderzoek is. Ook schets ik kort dat er verschillende type gezelschappen zijn (zakelijk gericht, ter ontspanning en vermaak, gerelateerd aan de klasse van de samenleving, etc.). En er zijn natuurlijk ook verschillende vormen van eenzaamheid (monnik in een klooster, studeerkamergeleerde, etc.).
Vervolgens licht ik in de inleiding van het boek kort toe dat ik het effect onderzoek dat de fenomenen ‘gezelschap’ en ‘eenzaamheid’ hebben op:
- De ontwikkeling van het verstand,
- De ontwikkeling van het karakter en
- De ontwikkeling van de zeden.
Zoals men dat in mijn tijd gewend was bij tijdschriften, verscheen een heel werk niet in één keer, maar als een reeks van artikelen. Dit werd met een mooi woord feuilleton genoemd. Ik vind dat nog steeds een mooi woord. Dit is dus deel 1 van het feuilleton. In dit deel ga ik in op het eerste thema; de ontwikkeling van het verstand.
Deel 1: Het verstand
Voor de ontwikkeling van het verstand onderscheid ik twee aspecten. Het eerste aspect betreft de effecten van gezelschap en eenzaamheid op het verkrijgen van kennis. Het tweede aspect betreft het effect op de manier waarop het verstand met die kennis omgaat, de vaardigheid van het denken en het redeneren.
1.1. Het verkrijgen van kennis
Als eerste neem ik je graag even mee in een korte vogelvlucht door de tijd. We hebben pas sinds de uitvinding van de boekdrukkunst rond het jaar 1450 door de Duitser Gutenberg de mogelijkheid om op grote schaal kennis via gedrukte boeken onder de mensen te brengen.
In de middeleeuwen en in de Klassieke Romeinse en Griekse tijd werd kennis al wel op schrift gezet, maar dat was tijdrovend om te doen, was duur en die werken hadden een relatief klein lezerspubliek. Het – vanaf 1450 - voor een breder publiek beschikbaar zijn van gedrukte kennis was bij de Duitsers niet tegen blindemansogen gezegd.
Met de opkomst van de burgerij in de 17e en 18e eeuw nam het lezen van boeken in de Duitse landen een enorme vlucht. Effect hiervan was dat men ook in gezelschap over een breed scala aan onderwerpen met elkaar in gesprek kon.
Het verkrijgen van kennis - gezelschap
Een gezelschap leent zich heel goed voor het uitwisselen van kennis, gelezen feiten en weetjes. Je kan in een gezelschap vanuit een breder perspectief kennis opdoen dan alleen met jezelf vanuit een boek. Het hangt natuurlijk wel van het gezelschap af dat bij elkaar is en de algemene ontwikkeling en belezenheid van de mensen.
Daarbij zijn er onderwerpen die zich goed lenen om juist in een gezelschap te bespreken en er zijn onderwerpen die zich daar duidelijk minder goed voor lenen. Tot de eerste groep behoren de onderwerpen die betrekking hebben op het dagelijks leven. Voorbeelden zijn het zaken doen, de economie en ook de politiek. En niet te vergeten, het uitwisselen van ditjes en datjes over de reizen in het buitenland doen het ook altijd goed.
Met name voor de ‘vrouwenkamer’ zijn het onderwerpen als het runnen van het huishouden en de trends in de mode, waar veel praktische kennis over kan worden uitgewisseld.
En dan de tweede groep. Kennis over natuurwetenschappen, de natuur zelf en geschiedenis lenen zich minder om via een gezelschap goed te bespreken. Vaak hebben gesprekken hierover betrekking op stukjes, die uit hun samenhang getrokken worden. Wil je op die thema’s een goed gesprek om ook echt je kennis te verbeteren, dan is het al snel nodig om in de groep een geleerde of leraar te hebben.
Hij (in mijn tijd was het meestal een hij) kan de kennis in een bredere context plaatsen én in begrijpelijke taal aan leken uitleggen. Maar dan heb je eigenlijk meer een soort van college en verlies je een stukje dynamiek en spontaniteit die juist zo kenmerkend is voor het luchtige gesprek binnen een gezelschap.
Kenmerkend voor de gesprekken in gezelschappen is dat het vooral luchtig moet zijn, oppervlakkig en praktisch. Vooral niet te diep en te zwaar.
In een gezelschap ontbreekt het aan rust en stilte om je goed op de inhoud van een onderwerp te concentreren. Er is juist sprake van veel flarden van andere gesprekken om je heen en veel prikkels van wat er om je heen gebeurt.
Tel daar de drijfveren van jezelf en de mensen om je heen bij op, zoals ambitie, ijdelheid, jaloezie, nijd, liefde en je voelt dat als die dingen effect hebben op je gemoed en op de aandacht die je aan het gesprek zelf kan geven.
Je gemoed is vaak datgene wat aandacht neemt en die het filter is waarmee je op dat moment de wereld om je heen ervaart. Je bent daar dan meer mee bezig dan het verrijken van je kennis en het oefenen van je verstand.
Tel daarbij op dat veel mensen een gezelschap juist opzoeken om te pronken met wat iemand weet en het tonen van diens vaardigheden. Het is vaak allemaal ijdelheid en het smeken om erkenning.
Gevolg: veel praten, weinig ‘echt’ luisteren. Men luistert vaak niet echt naar wat iemand zegt omdat men staat te popelen diens eigen verhaal naar voren te brengen. Er is dan ook opvallend vaak sprake van twee monologen met beleefde tussenpauzes, dan van een echte inhoudelijke dialoog tussen twee of meer mensen.
Marcus Aurelius (de Romeinse Keizer-filosoof) heeft ooit daarover opgeschreven dat je ‘actief’ naar iemand luistert als je met je verstand luistert, en niet alleen met je oor. Daarbij ziet hij het als plicht om in gezelschap actief, met je verstand, naar iemand te luisteren. Dat doe je uit respect voor die ander.
Ik merk bij mezelf dat zelfs het besef dat je met je verstand moet luisteren al iets met het aanzetten van je verstand doet. Verder merk ik dat het moeilijk is om in een gezelschap, met al die babbelende mensen om je heen, het moeilijk is om actief te luisteren en dat ook vol te houden. Dit wordt nog moeilijker als je merkt dat in het gesprek je eigendunk en je trots de kop op stekken.
En daarbij is het dan ook nog zo dat in een gezelschap er heel veel nietszeggende gesprekken zijn, waarbij je eigenlijk drukker bent met de hoffelijkheid en zeden in de omgang dan met het gesprek zelf.
Daartegenover staat echter wel dat je in een gezelschap wel in een soort van paraatheid staat; je bent afwisselend bezig met praten, luisteren en opletten. Dat geeft ook weer nieuwe inzichten en ideeën. Dat heb je niet als je alleen bent. Je kan dan wel meer de diepte in, maar bent tegelijk ook meer passief. Dat is een ander soort energie; die ook anders door je heen stroomt. Tijd om het verkrijgen van kennis vanuit het perspectief eenzaamheid te bekijken.
Het verkrijgen van kennis - eenzaamheid
Los van het gegeven dat sommige onderwerpen zich beter lenen om zich juist niet in gezelschappen te laten bespreken, zijn er ook mensen die liever niet naar die gezelschappen gaan.
Daarnaast zijn er – tenslotte – ook mensen waar hun beroep juist om eenzaamheid vraagt, dan wel tot eenzaamheid leidt. In de eerste groep vallen bijvoorbeeld natuurwetenschappers en filosofen, maar ook ambachtslieden die in hun atelier aan hun producten werken.
Tot de tweede groep behoren de hoge ambtenaren, die voor hun werk omgeven zijn door stapels dossiers en hun kantoor niet meer uitkomen, maar ook de arbeider die door de steeds verdergaande arbeidsdeling vereenzaamd en mechanisch en zonder gezelschap zijn ding doet.
Hoe komt de eenzame mens aan kennis? Dat kan door het observeren van de dingen om haarhem heen, met name als het kennis over de natuur betreft, maar voornamelijk natuurlijk door het lezen van boeken (of tegenwoordig het internet en het luisteren naar podcasts).
Juist door het voorhanden zijn van veel boeken over veel onderwerpen kan de eenzame mens zich kennis opdoen over de vele aspecten van het menselijk leven en de wereld. Door lezen en studeren kan je je grondiger verdiepen in een onderwerp, meer op academisch niveau, met meer facetten. In boeken is de argumentatie vaak beter opgebouwd als in een gesprek gebeurt.
In je studeerkamer leef je met het gezelschap van grote denkers uit alle windstreken en van alle tijden. Je ka de boeken zelf uitkiezen en ook zelf terzijde leggen. Jij helpt volledig het initiatief over welke kennis je wilt weten, hoe diep en hoe breed.
Dat kan niet met de gesprekspartners in een gezelschap. Daar worden de thema’s en de diepgang door de omgeving bepaald (en is altijd beperkt). Het reguliere gesprek in een gezelschap is doorgaans oppervlakkig, weinig geestrijk. Dat is vaak ook precies de bedoeling van de gesprekken in gezelschap; het gezelschap is geen plek voor een diepgaand gesprek, als was het alleen omdat veel van de aanwezigen intellectueel middelmaat zijn of zelfs tot de groep ‘leeghoofden’ behoren.
In de stilte en rust van de eigen werkkamer kan de geest van de eenzame zich in volledige vrijheid op een onderwerp richten. Bij het studeren van een werk zijn er twee aspecten van belang:
- Je moet leren de auteur te begrijpen (als vervanging voor het ontbreken van een mondelinge voordracht).
- Je moet actief bevorderen om zelf kritisch over dat wat je gelezen hebt, na te denken (met jezelf het gesprek met de auteur aangaan).
Door dit te doen kan je het voordeel van het gezelschap imiteren. Daar hoort bij dat je momenten moet nemen om zelf een mening te ontwikkelen over wat je gelezen hebt. Vervolgens doe je alsof je met de auteur in gesprek gaat en bespreek je je eigen mening en die uit het boek.
Dat klinkt misschien een beetje schizofreen, maar dat is het niet. Met wat oefening zijn er goede werkvormen om via deze manier van kritisch lezen tot goed onderbouwde kennis te komen. En daarnaast geldt: “Een schizofreen is nooit alleen’.
Reflectie
Het hangt van je eigen intellectuele niveau af en van je sociale vaardigheden of je je kennis beter kan ontwikkelen in een gezelschap of beter in je uppie. De middelmatigen van geest hebben meer aan het gezelschap. De meer intellectuelen onder ons doen het liever zelf.
In de 18e eeuw werden de menen met bovengemiddelde talenten ook vaak een ‘genie’ genoemd. Dat woord heeft anno 2026 een andere betekenis gekregen. In mijn tijd waren er best veel mensen die in het hokje ‘genie’ geplaatst werden.
Het genie zal zich in gezelschap vaak ook scherper opstellen en meer de anderen observeren. Vandaar uit kan zhij diens kennis ook toetsen en gedoceerd brengen.
Een middelmatige geest zal vaak ook minder goed tegen de eenzaamheid kunnen, laat staan die benutten om te studeren.
Los van de intellectuele vermogens van jou als mens moeten we ons ook bewust zijn dat sommige onderwerpen zich beter lenen om in eenzaamheid te doen en sommige onderwerpen juist beter in gezelschap.
Voor mij is hierin een vuistregel: Hoe meer wiskunde (abstracte kennis) het onderwerp vraagt, hoe meer het geschikt is voor eenzame bestudering. Hoe meer praktische kennis een onderwerp vraagt, hoe meer het geschikt is om in een gezelschap te bespreken.
1.2. Het oefenen van het verstand
En dan nu over het oefenen van het verstand, het goed om kunnen gaan met de verkregen kennis. Ik denk dat ik wel een beetje voor mijn eigen parochie preek, als ik stel dat je je verstand beter oefent als je de gelegenheid hebt om langer en dieper over een kwestie door te denken. Daarmee stel ik dan ook dat je je verstand beter kan oefenen in eenzaamheid, dan temidden van een geanimeerd babbelend gezelschap.
Toch heb je in die eenzame denkoefening een aantal moeilijkheden te overwinnen. De verleiding ligt op de loer om te verzinken in een leeg gedachtenspel (je komt vast te zitten en gaat herhalen) of juist via veel fantasie en inbeeldingskracht in je denken oververhit te raken en je gedachten volledig de vrije loop te laten gaan. In gezelschap worden je gedachten beter bij de les gehouden.
Je moet een sterke denker zijn om alleen te kunnen denken én focus te houden. Middelmatige denkers dwarrelen in hun uppie al gauw alle kanten op. Daarom hebben de meeste mensen een voorkeur voor het verkeren in gezelschap boven eenzaamheid. Je krijgt in een gezelschap ook makkelijker nieuwe prikkels voor je denken door de perspectieven van anderen.
Deze prikkels ontbreken als je in eenzaamheid bent; er komt dan geen nieuwe stof tot nadenken. Eenzaamheid is een goede plek om met denkstof aan de slag te gaan, maar je moet wel eerst gevoed zijn. Dat kan door boeken, gezelschap of ervaringen. Je moet dan in je denken de flexibiliteit hebben om zelf nieuwe voorstellingen te maken of nieuwe denkposities in te nemen.
Dat vraagt best wat oefening, weet ik uit eigen ervaring. Voor je het weet zit je tegen jezelf te praten. Als andere mensen dat dan zien, kan dat zomaar de indruk geven dat het niet helemaal goed met je gaat.
Maar er is ook een belangrijk ander perspectief. In eenzaamheid denken, diep denken betekent vaak ook langzaam denken. Dat is leuk voor de studeerkamer, maar dat is niet wenselijk in het zakelijke leven en in gezelschap. Voor de meeste dingen in het dagelijks leven moet je snel denken en snel oordelen. Ook dat moet je leren. En dat leren doe je dus door veel in gezelschap te zijn en daar te oefenen.
De keerzijde hiervan is dat je moet accepteren dat de gesprekken oppervlakkiger zijn, daarmee sneller wendbaar en dat je ad rem en gevat moet kunnen reageren. Ook moet je je gedachten snel in een goede formulering naar voren kunnen brengen. Dit is een vaardigheid en ook als vaardigheid te leren. Als je maar oefent.
Hiervoor zijn twee dingen nodig. 1) Je moet opmerkzaam zijn wat er gezegd wordt en hoe het gezegd wordt en 2) je moet een scherpte hebben om prompt te reageren. Je moet daarvoor snel de vereiste kennis uit je geheugen naar boven halen, die kennis verwerken in je oordeel en als repliek helder formuleren. Dat oefenen kan best vermoeiend zijn.
Je hebt dus vaardigheden voor het oefenen van je verstand in het dagelijks leven (zakelijk en in gezelschappen) en vaardigheden voor het denken in je uppie. En dan is het nog belangrijk dat je oefent in het afwisselen van beide en daardoor je lenigheid van denken vergroot.
Hoe mensen denken
En dan wil ik graag nog iets kwijt over de manier waarop mensen denken en dan vooral de verschillen. Mensen wijken in de manier van denken in drie dingen van elkaar af:
1. De methode van denken.
Sommige mensen voelen zich prettiger om van abstract naar concreet te denken. Andere mensen doen dat liever omgekeerd; van concreet naar abstract.
De eerste groep doet er goed aan om zich onder mensen te begeven om zodoende contact met de praktijk te houden. De tweede groep heeft baat bij mensen die hen helpen om vanuit de ervaringen tot de grote lijnen te komen.
2. De inschatting van de waarde van die dingen die zhij onderzoekt.
De eenzame denker is vaak zelf de maat der dingen. In gezelschap wordt je beïnvloed door de maat van de anderen. Het gaat er natuurlijk om een balans te vinden tussen je eigen maat temidden van de anderen. Je moet daarvoor zelf een goede uitleg hebben en stevig in je schoenen staan om niet mee te dwarrelen met wat anderen van iets vinden.
3. De mening die zhij als waarheid neemt.
Je mening komt voort uit de waarheden die je denkt te hebben gevonden. Die zijn geworteld in de overtuigingen die zich in je hebben vastgezet (en die je niet meer ter discussie stelt). Door contact in een gezelschap is het ook mogelijk om je je bewust te worden van je eigen vooroordelen en die bij te kunnen stellen.
De keerzijde van het gezelschap is de kans op collectieve beeldvorming ‘GroupThink’ en dat is juist weer gevaarlijk. Vaak moet je dan je eigen mening opofferen. Dit kan tot gevolg hebben dat je steeds meer ook geen eigen mening meer ontwikkeld en oppervlakkiger wordt.
Voor het scherp houden van je geest en het vormen van je mening is het nodig dat je de kwestie van verschillende perspectieven bekijkt. Dat kan je door in gesprek te gaan met jezelf of het gesprek in een gezelschap aangaan.
Het was bij de oude Grieken als bekend dat de geest het meest scherp gehouden wordt als het gesprek een soort vriendschappelijke strijd is tussen gelijkgewichten. Met name een goede discussie of debat zijn prima vormen om dit voor alle betrokkenen te oefenen.
Schrijven
Voor de eenzame is er vaak geen andere optie om de eigen gedachten te scherpen dan door ‘schrijven’. Ieder mens heeft behoefte om zich te willen uitten, zijn kennis te scherpen. Als dat niet via een gesprek kan, dan ontstaat de behoefte om het op te schrijven en met zichzelf hierover in gesprek te gaan. (volgens mij ben ik dit nu ook aan het doen).
In mijn tijd deden de meeste mensen dit door het schrijven van brieven, naar meerdere personen en over een langere periode, zodat er beeld kwam over een ontwikkelingsgang in het denken vanuit verschillende perspectieven. Nu doet men dat door het schrijven van posts, blogs en artikelen op internetplatformen.
Toch zijn er ook enige kritische kanttekeningen te maken over dat schrijven. Laat ik beginnen met Plato, die in zijn tijd het schrijven als tweederangs zag, ondergeschikt aan het mondeling uitwisselen van kennis en meningen. Vaak houdt je bij het schrijven vaak onbewust, en soms bewust, al rekening met mogelijke oordelen van de lezer. Je schijft dan niet precies op wat je zou willen schrijven.
Daarnaast is er dan nog de kwestie van grammatica en stijl; dat je de dingen op een bepaalde manier op moet schrijven die verder afstaat van je eigenlijke gedachten. En misschien is dat ook wel een tukje ijdelheid; dat je wilt dat mensen tegen je zeggen dat je het heel mooi hebt opgeschreven.
In de 18e was er een beroemd werk van de Schotse Lord Monboddo over het schrijven. Hij stelde dat schrijven je denkkracht juist beperkt in vergelijk met mondeling. Het kan zo maar zijn dat we door het opschrijven juist niet beter doordeken. Als je het opschrijft gaan je gedachten op een of andere manier mee op te papier en zijn ze dan uit je hoofd weg.
Ik merk dat zelf ook als ik schrijf. Het lijkt een soort van je afschrijven of uit je systeem schrijven. Het is ook een veel gehoorde therapie van psychologen om over de betreffende kwestie te schijven; ze worden dan helder, maar gaan ook een soort van weg.
Ik merk dat ook als ik iets herlees dat ik een aantal jaren gelezen geschreven hebt; dat ik het me niet meer voor kan stellen dat ik dat toe gedacht heb en zo heb opgeschreven; alsof het van iemand anders was. Dus, schrijven als vorm is ook niet alles. Ik moet wel denken aan Nietzsche die steevast begon met de Latijnse woorden ‘Mihi ipsi scripsi’; ik schrijf dit voor mijzelf.
Had Nietzsche maar in mijn tijd geleefd; ik had deze mantra graag van hem overgenomen. Misschien dat mijn werken dan ook meer van mezelf hadden laten zien; dat ik minder rekening gehouden had met wat andere mensen ervan zouden vinden. Maar ja, dat is achteraf.
Reflectie
Alles beschouwende is het beter je verstand te ontwikkelen via gesprek tussen echte mensen, dan schriftelijk te oefenen met en in jezelf. Hoe eng dat af en toe ook kan zijn. Los daarvan is het verstandig je kennis op niveau te brengen door veel te lezen, voordat je in gezelschap op een geode manier die kennis kan delen en je verstand kan oefenen in het omgaan met die kennis.
Daarbij moeten we niet vergeten dat er ten opzichte van mijn tijd de hoeveelheid beschikbare kennis enorm is toegenomen. Was het in mijn tijd belangrijk om bij te tijd te zijn met de nieuw verschenen boeken over een bepaald thema, nu het het belangrijk om een vaardigheid te ontwikkelen om uit die enorme hoeveelheid beschikbare informatie tot zinnige kennis te komen. Dat geeft er echt een uitdaging bij!




