Share this article

De Burgerlijke Air

Ik ben altijd al bovengemiddeld nieuwsgierig geweest naar wat mensen drijft en hoe mensen samenleven. De Fransman François de La Rochefoucauld heeft deze nieuwsgierigheid extra in mij aangewakkerd. François leefde van 1613 tot 1680. Destijds dus al een ‘Goldy Oldy’ en ik begrijp dat hij nog steeds populair is.

 

Hij is beroemd geworden door zijn boek Maximes, dat voor het eerst verscheen in 1665. Dit werk bestaat uit honderden korte, krachtige uitspraken over de menselijke natuur. Op een scherpe, ironische, soms ook cynische manier legt hij menselijke drijfveren bloot. Het enge is vooral, dat het vaak heel herkenbaar is.

 

Eigenlijk draait het bij de mens, aldus François, om eigenbelang en ijdelheid, bij werkelijk alles, ook bij liefde en vriendschap. En als iemand vindt van niet, juist dan moet je oppassen.

 

De meeste van zijn maximes spreken op een ontluisterende manier voor zich. Heel herkenbaar als je naar de mensen om je heen kijkt, pijnlijk als je in de spiegel kijkt; een soort ongemakkelijke waarheid. Er was echter ook een maxime, waar ik de vinger niet echt op kon leggen, wat hij (François) daar nu eigenlijk mee bedoelde:

 

393: ‘Burgerlijkheid verdwijnt soms in het leger; maar nimmer aan het hof’.

 

Voor mij was deze maxime aanleiding om het begrip ‘Burgerlijkheid’ een nader onder de loep te nemen. En zo was het thema van mijn essay bevrucht; het moest zich alleen verder ontwikkelen en zich geboren laten worden. Ik heb mijn essay destijds de titel ‘De Burgerlijke Air’ gegeven.

 

De Burgerlijke Air

 

Als eerste besefte ik me dat het waarschijnlijk was dat het begrip ‘Burgerlijkheid’ in de tijd van François (1665) en in Frankrijk een andere betekenis heeft gehad, dan het begrip voor mij had in 1790 en in Pruisen. Het was gewoon een andere tijd en een andere plek.

 

Ik besloot om me niet teveel te verdiepen in de situatie van het Franrijk anno 1665, maar het begrip ‘Burgerlijkheid’ te onderzoeken zoals ik dat in mijn eigen tijd en rond mij in Breslau waarnam. Aan het eind van dit schrijfsel moeten we die stap samen nog een keer maken naar de burgerlijkheid anno nu.

 

En dan het derde woord uit de titel: ‘Air’. Met ‘Air’ bedoel ik niet het Engelse woord voor lucht. Met ‘Air’ bedoel ik de houding, de uitstraling, het voorkomen, de natuurlijke manier waarop iemand zich in de wereld beweegt, als mens tussen de mensen.

 

Ik kan het ook nog iets specifieker maken. Voor mij is een ‘Air’ de zichtbare uitdrukking van iemands innerlijke vorming én diens maatschappelijke levensomstandigheden. Het gaat dat over de manier waarop iemand zich beweegt, de toon waarop zhij spreekt, de zelfverzekerdheid, de omgang met anderen en ook de houding tegenover zichzelf.

 

In mijn beeld kan de ‘Air’ niet simpel zomaar als een aapje worden aangeleerd als een verzameling etiquetteregeltjes. Iemand die dat heeft gedaan valt direct door de mand. Het gaat om dingen die iemand door een bepaalde opvoeding en levenswijze in zich heeft kunnen laten groeien en in zich op heeft kunnen nemen.

 

Aristocratie en burgerij

 

In de tijd dat ik het essay schreef was in Frankrijk de revolutie net een paar jaar achter de rug. De aristocratie had daar een enorme knauw gekregen. De burgerij was de baas. Het land verkeerd anno 1791 (toen ik het essay schreef) nog steeds in chaos, rep en roer.

 

In Pruisen keek de adel angstvallig naar de manier waarop de burgerij zich ging positioneren. Die burgerij ging niet zover als in Frankrijk om de macht te grijpen. Toch was duidelijk te zien dat de burgerij probeerde op te schuiven richting de aristocratie en steeds meer ook de zeden, gewoonten en gebruiken van de aristocratie probeerde over te nemen.

 

Dit vormde voor mij een mooi gebied voor onderzoek, zeker ook omdat het maxime van François stelt dat binnen het hof de burgerlijkheid nimmer verdwijnt; dus altijd zichtbaar blijft.

 

Om de burgerij te vergelijken met de aristocratie, met name het hof rond de vorst, moest ik als eerste de burgerij zelf verdelen in klassen. Ik heb me met name gericht op de hoogste klasse binnen de burgerij, de geslaagde, rijke koopmansfamilies; veel geld, veel vermogen.

 

Daaronder zit de klasse van de burgerlijke, ‘gegoede’ middenstand, welgesteld maar niet heel erg rijk; vaak succesvolle ondernemers. Daaronder dan weer de lagere middenstand, veelal winkeliers en ambachtslieden, die alleen met hard werken de touwtjes aan elkaar kunnen knopen. De arbeidersklasse heb ik buiten beschouwing gelaten.

 

Het enige dat ik over die klassen wil zeggen is dat er in de gemiddelde mens een drang zit om zich naar boven te werken, om zich te verbeteren, om bij de eerst bovenliggende klasse te willen horen. En dat geldt ook voor de hoogste klasse van de burgerij, die wil graag bij de aristocratie horen.

 

Een dubbeltje wordt nooit een kwartje

 

Een typisch burgerlijke uitspraak. Een tegeltjeswijsheid. Ik ben in het onderzoek tot het inzicht gekomen dat, hoe goed iemand ook zijn best doet, burgers toch anders overkomen dan edellieden, zelfs wanneer ze even ontwikkeld of even deugdzaam zijn. Daarboven komt dat als iemand echt zijn best doet erbij te willen horen, het des te meer opvalt dat zhij er niet van nature bij hoort.

 

Ik heb geconstateerd dat de burger uit die hoogste klasse doorgaans beleefd is, beschaafd, nette omgangsvormen heeft, morele ernst heeft en vaak ook goede bedoelingen heeft. En toch mist er iets; zhij mist de onbevangen vanzelfsprekendheid waarmee de aristocraat optreedt.

 

De gemiddelde aristocraat is dat door diens geboorte en de rechten die ze daarmee impliciet meekrijgen. Vaak zijn het families die generaties teruggaan. De jongens en meisjes die in deze kringen opgroeien worden opgevoed om zich op dit niveau van de samenleving galant, charmant, hoffelijk en gracieus in gezelschap te gedragen.

 

Ze groeien op in omstandigheden waarin men van jongs af leert hoe je in een gezelschap moet optreden, met welke zeden, gebruiken en gewoonten. Ook leren ze van jongs af hoe is het om gezag uit te oefenen. Vaak bezitten deze families hoge posities in de samenleving of in het leger.

 

Tenslotte hoeven ze niet voortdurend bang te zijn voor sociale afwijzing; ze behoren immers tot een bepaalde klasse met bepaalde rechten. Het is voor hen een eerste natuur zich in deze kringen te bewegen, met alle zeden en gewoonten die daarbij horen.

 

Ze worden opgevoed om in elkaar gezelschap te verkeren, een gezelschap die elkaar vaak ziet, die leeft in welstand en mede elkaar zo vaak kunnen zien omdat ze verder geen verplichtingen hebben (lees, niet voor hun geld hoeven te werken). Het begrip weekend is hun vreemd.

 

De jongens en meisjes uit de burgerij missen dit recht van geboorte. Zij worden opgevoerd in een traditioneel rolpatroon dat jongens de kost moeten verdienen en meisjes het huishouden moeten runnen; met voor beiden alle deugden die daarbij horen, vaak ook nog doorspekt van Christelijke waarden.

 

En hoewel de gemiddelde burger vaak deugdzamer is dan de gemiddelde aristocraat, vlijtiger en verstandiger is in zakelijke dingen, ontbreekt het de burger vaak aan zelfverzekerdheid en een soort natuurlijke lichtheid waarmee naar de dingen gekeken kan worden.

 

Dat komt omdat de burger in zijn omgeving continu op prestaties beoordeeld wordt, maatschappelijk wil (moet) stijgen en dus steeds rekening moet houden met diens reputatie. Hierdoor ontstaat wat ik Blödigkeit genoemd heb; een sociale geremdheid, een gebrek aan zelfvertrouwen in de sociale omgang.

 

Burgers zijn zich sterk bewust van zichzelf, zijn bang om fouten te maken en letten voortdurend op hoe anderen hen beoordelen. Daardoor verliezen zij hun natuurlijke onbevangenheid.

 

Deze Blödigkeit is geen karaktergebrek en zeker geen intellectueel gebrek. Zij is het gevolg van de maatschappelijke positie van de burger. Wie zijn plaats voortdurend moet verdienen, ontwikkelt gemakkelijker onzekerheid dan iemand die van jongs af aan een bevoorrechte positie gewend is.

 

Ik behoor zelf tot de burgerij. In mijn onderzoek heb ik een analyse gemaakt van die typisch burgerlijke ‘Air’ en waarin die verschilt van de ‘air’ binnen de aristocratie. Vanuit die analyse heb ik nagedacht over manieren om die burgerlijke ‘air’ te kunnen verbeteren.

 

Mijn ideaal is een burger die de typisch burgerlijke deugden weet te behouden, zelfvertrouwen heeft, met tact kan optreden, maar die tevens onbevangen is. De burger hoeft van mij geen aristocraat te worden, liever niet, maar het zou mooi zijn als hij zich emancipeert en leert zich met dezelfde natuurlijke waardigheid als de aristocraat te bewegen. En ik denk dat de oplossing ook in die maxime van François zit; het leger!

 

Het leger in

 

Ik ben absoluut niet voor oorlog. Oorlog is verschrikkelijk. We hebben al genoeg oorlog in Pruisen gehad. Ik weet inmiddels dat er na mijn overlijden ook nog vele oorlogen gevoerd zijn. Het leger is voor mij echter niet alleen een instelling voor oorlogvoering; het is ook een school voor de vorming van het karakter van de mens en diens sociale vorming.

 

Ik zie het leger vooral als voorbeeld van een omgeving waarin mensen eigenschappen kunnen ontwikkelen die burgers vaak missen: natuurlijke zekerheid, onbevangenheid, tact en waardigheid.

 

De vorming door het leger is als enige in staat af te breken, dat wat door de burgerlijke opvoeding foutief in iemands karakter, zeden en gebruiken ingeprent is. Om tot die onbevangenheid en waardigheid te komen moet eerst de burgerlijke opvoeding er uit, voordat er een nieuwe set opgebouwd kan worden.

 

Voor mij is het leger dé maatschappelijke instelling die het best in staat is een mens de natuurlijke zekerheid, zelfbeheersing en sociale waardigheid bij te brengen die samen het ‘Air’ vormen. Ik wil daarbij niet onvermeld laten dat aristocratische kringen voor een groot deel bestaat uit jongens en mannen, die een gedegen opleiding in het leger hebben gehad en het leger ook als carrièreperspectief hebben.

 

Dat betekent niet dat iedere burger soldaat zou moeten worden. Wel ben ik van mening dat de burgerij iets van de vormende werking van het militaire leven zou moeten overnemen: oefening in verantwoordelijkheid, discipline, omgang met anderen en publieke zelfverzekerdheid.

 

Die eigenschappen zijn volgens mij niet aangeboren of voorbehouden aan de adel, maar kunnen worden gevormd door opvoeding en maatschappelijke ervaring. Echter ze moeten eerst afgebroken worden, voordat ze opnieuw kunnen worden opgebouwd. En dat is precies van het leger doet.

 

Tenslotte

 

Tot zover de strekking van mijn essay uit 1792 in een notendop. Wat zou ik hier nu in 2026 mee moeten, mee kunnen? Zijn mijn onderzoek, analyse en bevindingen zodanig verouderd dat ze in de prullenmand kunnen? Zijn ze nog van waarde voor de huidige tijd?

 

De klasse van de aristocratie is nu een stuk kleiner dan in de tijd dat ik het essay schreef. Ze zijn er nog wel; onopvallend aan de rand van de samenleving houden ze elkaars handen nog stevig vast. Wel is er een forse groep ‘nieuwe rijken’. Ze hebben geen adellijke geboorterechten, maar bulken van het geld en onroerend goed. Ze hebben alle tijd om vaak in elkaars gezelschap te vertoeven en lanterfantend feestend dag, avond en nacht door te brengen.

 

Er is ook geen groot verschil meer tussen de burgerij en de arbeidersklasse. Door de emancipatiegolven in de afgelopen twee eeuwen hebben overheden iedere inwoner omgevormd tot burger. Het begrip burgerij is verouderd geraakt.


Er is nog wel sprake van verschillende maatschappelijke klassen en groepen. Je hebt de middenstand (winkeliers), de academische wereld, maar klassen worden nu vooral ingericht naar het inkomen; hogere inkomensgroepen, de middeninkomens (modaal genoemd), de lagere inkomensgroepen en de gezinnen aan de armoede grens. Die laatste groep blijkt de afgelopen jaren fors groter te zijn geworden.

 

Ik zie nog wel de drijfveer in de mens om zich te spiegelen aan een klasse/inkomensgroep die maatschappelijk hoger ligt en de wens om daar bij te willen horen. Dat geldt dan ook voor de zeden, gebruiken en gewoonten. Ook daarin moet iemand die niet uit het betreffende milieu komt en er toch bij wil horen zich die houding en die ‘air’ eigen maken.

 

En ook dat moet nog steeds op een onbevangen manier en zonder tekenen van Blödigkeit: dus zonder sociale geremdheid en zonder gebrek aan zelfvertrouwen in de sociale omgang. Dat zit in het karakter van de persoon en in diens opvoeding, die vaak nog steeds de burgerlijke waarden van een eeuw geleden ademen. Op dat gebied blijft er werk aan de winkel. Is daar dan nu ook het leger een oplossing voor?

 

Ik zie dat er sinds kort een opleving is binnen de landen van Europa om de legers weer te gaan versterken en meer jongens – en nu ook meisjes – onder de wapenen te brengen. Aanleiding hiervoor is niet een maatschappelijke emancipatie, maar een oorlogsdreiging die vanuit de Westerse overheden wordt verkondigd.

 

Natuurlijk zal hier de vorming van de nieuwe rekruten bestaan uit het omgaan met gezag en het ontwikkelen van zelfvertrouwen en sociale regels. Maar anders dan de oorlogen in mijn tijd, waar grote groepen mannen tegen elkaar op moesten trekken, zal de opleiding nu vooral gericht zijn om oorlog te voeren op afstand, met drones en lange afstand raketten. De huidige manier van oorlogsvoering is anders dan in mijn tijd met een ander beroep op kameraadschap, gezag, zelfvertrouwen en verantwoordelijkheid.

 

Toch denk ik dat er van het vormende karakter van het leger voldoende overblijft om karakters van mensen te (her)vormen. Met de lange periode van het ontbreken van dienstplicht is iedere kleine stap sowieso al een verbetering.

 

Dit hoeft dan niet om een ‘air’ te ontwikkelen waarbij men de burgerlijke waarden herdefinieerd. En het hoeft ook niet meer om onbevangen onder de aristocratie of de ‘nieuwe rijken’ te kunnen verkeren. De aristocratie is geen wenkend perspectief meer en de ‘nieuwe rijken’ zullen er wel voor zorgen dat hun kroost kan blijven feesten en hun vermogen onderwijl ziet groeien door de verkoop van wapentuig.

 

Kortom, mijn essay hoeft niet te rekenen op een nieuwe uitgave, ook geen herziene.

Recente artikelen

door Rob 12 september 2026
Over een brief aan zijn moeder
door Friedrich Nietzsche 6 september 2026
Over eenzaamheid
door Christian 5 september 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel I
door Rob 4 september 2026
Brieven aan een vriendin
door Christian 28 augustus 2026
Over Plutarchus
door Rob 16 augustus 2026
Pleidooi van een rebel
door Christian 2 augustus 2026
De Russische ziel
door Christian 31 juli 2026
De panter
door Christian 28 juli 2026
Over balans en middelmatigheid
door Christian 26 juli 2026
De geometrie van de dag
Show More