Share this article

Over 'eigen belang' - ingezonden stuk

Geachte lezer,


Het deed mij bijzonder veel genoegen te zien dat deze website ook ruimte biedt aan bijdragen van lezers, waaronder die van mijn gewaardeerde filosofische voorganger, de heer Michel de Montaigne, wiens essays ik met grote belangstelling en waardering heb gelezen.

 

Ook ik zou graag, met uw welnemen, enkele gedachten willen delen naar aanleiding van de reeks van drie artikelen, getiteld ‘Gezelschap en eenzaamheid’, van de heer Garve. Mijn beschouwingen zullen zich voornamelijk richten op de artikelen van de heer Garve, al hoop ik mij daarnaast ook enkele bescheiden opmerkingen over de bijdrage van de heer Montaigne te mogen veroorloven.

 

Sta mij toe mij allereerst kort aan u voor te stellen. Mijn naam is Hume, David Hume. Als Schots filosoof en geschiedschrijver leefde ik van 1711 tot 1776 en mocht ik een bescheiden plaats innemen binnen wat later de Schotse Verlichting is gaan heten. Het blijft mij een bijzonder genoegen terug te denken aan de opmerkelijke intellectuele vernieuwingen die Schotland in die jaren heeft voortgebracht.

 

Alvorens op de artikelen zelf in te gaan, zou ik graag mijn oprechte waardering uitspreken voor het omvangrijke vertaalwerk van de heer Garve. Door de geschriften van mijn Schotse collega’s in het Duits toegankelijk te maken, heeft hij een waardevolle bijdrage geleverd aan de verspreiding van het gedachtegoed van de Schotse Verlichting in het Duitse taalgebied.

 

Naar ik later heb mogen vernemen, heeft ook de heer Kant, tijdgenoot en filosofisch collega van de heer Garve, enige inspiratie geput uit mijn geschriften. Het verheugt mij te bedenken dat dit een bescheiden rol heeft gespeeld bij de verdere ontwikkeling en schriftelijke uitwerking van zijn eigen denkbeelden.

 

Wellicht mag ik in dit verband opmerken dat ook de vraagstukken van de moraliteit mij uitvoerig hebben beziggehouden. Mijn voornaamste werk op dit terrein, ‘Een onderzoek naar de beginselen van de moraal’, verscheen reeds in 1751. Van mijn eigen geschriften draag ik juist dit werk een bijzondere waardering toe. Dat de eerste Nederlandse vertaling pas in 2016 het licht zag, stemt mij, zo moet ik bekennen, enigszins weemoedig. Gelukkig wordt medio 2027 een heruitgave verwacht.


Aanleiding voor mijn reactie


Daarmee kom ik, met uw goedvinden, tot de aanleiding voor mijn reactie. In de beschouwingen van de heer Garve meen ik herhaaldelijk de gedachte aan te treffen dat ‘eigen belang’ en ‘eigen gewin’ de voornaamste drijfveren van menselijk handelen vormen. De zeden en gewoonten die binnen een gezelschap worden aanvaard, zouden deze neigingen vervolgens in toom houden, opdat het samenzijn ordelijk en voor alle betrokkenen aangenaam kan verlopen.

 

Het zou mij niet invallen te ontkennen dat ‘eigen belang’ een krachtige menselijke drijfveer is; op dit punt kan ik de heer Garve zonder moeite volgen. Mijn aarzeling begint waar ‘eigen belang’ als de voornaamste, of zelfs de enige, grondslag van de moraliteit wordt voorgesteld. Ik meen te begrijpen dat de heer Garve hiermee aansluiting gezicht heeft bij de Engelse filosoof Thomas Hobbes en diens nadruk op het egoïsme. Met alle respect zou ik willen aanvoeren dat een dergelijke voorstelling mij wat al te eenvoudig voorkomt.

 

Zelf voel ik mij in dit opzicht meer verwant met het gedachtegoed van mijn tijdgenoot Jean-Jacques Rousseau, die overigens enige tijd bij mij heeft verbleven toen de omstandigheden in Frankrijk hem weinig rust boden. Zowel voor Rousseau als voor mij vormt de menselijke natuur het vertrekpunt. Ook het vermogen tot morele oordeelsvorming beschouwen wij als een bestanddeel van die natuur.

 

Daarbij zou ik willen benadrukken dat niet alles wat bestaat zich uitsluitend door het verstand laat onderzoeken of beredeneren. Sommige zaken openbaren zich slechts in het gevoel. Ook daaraan liggen beginselen ten grondslag, die ik naar vermogen heb trachten te onderzoeken. Naar mijn overtuiging laat dit onderzoek zich niet louter door rationalisering (het tot conclusies toe beredeneren) volbrengen, maar vraagt het om een empirische benadering: waarnemingen, ervaringen en beproevingen in het dagelijks leven.


Sympathie


Naar mijn bescheiden mening is sympathie het beginsel bij uitstek dat ons gevoelsleven mogelijk maakt. Ik besef terdege dat deze term enige toelichting behoeft. Ik gebruik hem namelijk niet geheel in de betekenis die men er anno 2026 doorgaans aan hecht, wanneer men bijvoorbeeld spreekt van ‘genegenheid voelen voor iemand’.

 

Letterlijk vertaald betekent ‘sym-pathie’ ‘mee-voelen’, dan wel ‘samen-voelen’. Graag beperk ik mij hier tot die oorspronkelijke betekenis. Onder sympathie versta ik het mechanisme dat het ontstaan van uiteenlopende gevoelens, zoals medelijden en vreugde om het geluk van anderen, mogelijk maakt. Sympathie is in deze opvatting dus niet zelf een gevoel, maar veeleer een mechanisme waaronder zulke gevoelens kunnen ontstaan.

 

Dankzij dit mechanisme kunnen gevoelens van medemenselijkheid en verbondenheid in ons tot uitdrukking komen. Onze alledaagse ervaringen geven ons, naar mijn oordeel, voldoende aanleiding het bestaan ervan te erkennen. Om die reden heb ik het filosofisch minder vruchtbaar geacht te vragen waarom wij sympathie ondervinden.

 

Veel van dergelijke ‘waarom-vragen’ brengen ons mijns inziens niet wezenlijk verder. Dat het verschijnsel zich voordoet, is voor het onderzoek een voldoende uitgangspunt; de vraag hoe het werkt en welke gevolgen het heeft, is op zichzelf reeds veeleisend genoeg.

 

Mag ik nu de hoofdlijn van mijn betoog hervatten. Mijn bezwaar is dat egoïsme, ofwel eigen belang, als grondbeginsel van de moraliteit naar mijn inzicht onvoldoende recht doet aan de menselijke natuur. Ik zou daarom sympathie een fundamentelere plaats willen toekennen. Daarmee is de kwestie evenwel nog geenszins afgedaan.

 

Samenspel eigenschappen


Moraliteit laat zich naar mijn opvatting het best begrijpen als een samenspel van drie eigenschappen die elkaar wederzijds beïnvloeden:

  1. Socialiteit: van nature zijn wij bij onze medemensen betrokken. Dankzij sympathie beschikken wij over het vermogen met anderen mee te voelen. Aan deze socialiteit liggen zowel de wens dat het anderen goed mag gaan als een gevoel voor rechtvaardigheid ten grondslag, waaronder ik mede een rechtvaardige verdeling versta van wat mensen nodig hebben om een goed leven te leiden.
  2. Gevoeligheid: hieronder versta ik niet alleen het vermogen tot ‘mee-voelen’ met anderen, door middel van sympathie, maar ook ons eigen gevoelsmatige oordeel over de morele aanvaardbaarheid van wat wij doen of waarnemen. Wij ervaren als het ware of iets al dan niet ‘door de beugel kan’.
  3. Redelijkheid: naast dit gevoelsmatige oordeel komt ook ons verstand in werking. De rede stelt ons in staat de gevolgen van een handeling te beoordelen en te overwegen of deze nuttig dan wel schadelijk zijn.

 

Met deze derde eigenschap, de rede, meen ik tevens een verbinding te kunnen leggen met de denktraditie van de utilisten, onder wie Jeremy Bentham en John Stuart Mill. In die traditie worden handelingen moreel afgewogen in het licht van het streven naar zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen.

 

Ik hoop hiermee enigszins duidelijk te hebben gemaakt waarom ik bij de afbakening van de heer Garve een voorbehoud zou willen plaatsen, en welk alternatief mij overtuigender voorkomt. Zoals ik aan het begin aankondigde, zou ik ook graag kort stilstaan bij de ingezonden bijdrage van de heer Montaigne.


Gewoontes


De heer Montaigne heeft op aansprekende wijze gewezen op de macht van de gewoonte. Hij laat zien hoezeer de binnen een groep gegroeide gewoonten van betekenis zijn voor de wijze waarop gedrag en handelingen in moreel opzicht worden beoordeeld.

 

Tot dusver heb ik de groepsdynamiek in mijn uiteenzetting grotendeels buiten beschouwing gelaten. De drie genoemde eigenschappen die bij de moraliteit op elkaar inwerken, zijn immers in ieder mens aanwezig. Het is daarbij de rede die het waarneembare gedrag en handelen mede aan normen toetst. Die beoordeling is voor ieder mens eigen, zoals ook ieder zijn eigen gevoelsleven heeft.

 

Daaruit volgt naar mijn inzicht dat morele oordeelsvorming een subjectief karakter draagt: ieder beoordeelt vanuit een eigen perspectief. Een universeel, voor iedereen op gelijke wijze toegankelijk oordeel over wat deugdzaam is, ligt dan ook niet zonder meer voor de hand; onze oordelen berusten steeds op ervaringen en de betekenis die wij daaraan geven.

 

In mijn werk heb ik getracht de mechanismen achter moreel gedrag en morele oordeelsvorming beter te begrijpen. De beginselen die aan dit oordelen ten grondslag liggen, acht ik betrekkelijk onveranderlijk, omdat zij in onze natuur besloten liggen. Wat daarentegen wel verandert, zijn de omstandigheden en de sociale en culturele context waarin een groep gedrag als nuttig of schadelijk beoordeelt.

 

Zo kan het voorkomen dat wat in een bepaalde tijd als ‘nuttig’ wordt beschouwd, jaren later, onder gewijzigde sociale en culturele omstandigheden, niet langer ‘nuttig’ heet en wellicht zelfs als ‘schadelijk’ wordt aangemerkt. De Deense filosoof Søren Kierkegaard heeft hierover in 1846 een bijzonder interessant werk geschreven, getiteld ‘Een literaire recensie’. Daarin laat hij, op een naar mijn smaak opmerkelijk scherpzinnige wijze, zien hoe gewoonten en gedragingen binnen dertig jaar kunnen verschuiven van ‘helemaal correct’ naar ‘absoluut not-done’.

 

Dit werk maakt inzichtelijk dat maatschappelijk aanvaarde gewoonten, soms al binnen betrekkelijk korte tijd, aan veranderende morele maatstaven onderhevig zijn. Voor de mens als sociaal wezen betekent dit dat de subjectieve beoordeling van gedrag en handelingen verschillende dimensies kent.

 

Allereerst is er het handelen tussen twee personen, die ieder vanuit een eigen moreel perspectief naar de gebeurtenis kijken: degene die handelt en degene die de gevolgen van die handeling ondervindt.

 

Daarnaast is er het perspectief van de beschouwer, die het gedrag en de handelingen van twee andere personen waarneemt en zich daarover, aan de hand van een eigen maatstaf, een moreel oordeel vormt.

 

Ten slotte is er de dimensie van de groep: het gezelschap of het deel van de samenleving waarin deze beide perspectieven samenkomen en een eigen dynamiek ontwikkelen. Daar ontstaat een voortdurend samenspel van gedrag en handelingen tussen de leden van de groep, alsook met degenen die dit als beschouwers gadeslaan.

 

De beschouwer toetst daarbij telkens wat hij of zij waarneemt aan de eigen maatstaf en vraagt zich, veelal zonder dit uitdrukkelijk te formuleren, af of het moreel ‘juist’ is. Hiermee wordt de morele oordeelsvorming intersubjectief. Dit proces voltrekt zich vrijwel onafgebroken.

 

Juist doordat het zo voortdurend plaatsvindt, worden wij ons er gaandeweg minder bewust van en is ons verstand er minder nadrukkelijk bij betrokken, terwijl ons gevoel wel degelijk blijft voelen. Daardoor blijft de waardering en normering op de achtergrond werkzaam, in een subtiel samenspel van gevoel en verstand binnen onze sociale omgeving.

 

Op deze wijze kan een groep geleidelijk tot gedeelde normen, gedragingen en gewoonten komen, die vervolgens steeds opnieuw worden getoetst en bijgesteld. Ingrijpender verschuivingen kunnen zich voordoen wanneer nieuwe personen of groepen toetreden, of wanneer de sociaal-culturele omstandigheden ingrijpend veranderen.

 

Afsluiting


Ter afsluiting zou ik graag nog eenmaal naar het werk van de heer Garve verwijzen. Hij heeft een bijzonder lezenswaardig boek geschreven over de wijze waarop een culturele en sociale context kan veranderen, ook door ontwikkelingen van binnenuit. Dit werk draagt de titel ‘Over de mode’.

 

Tot besluit betuig ik de beheerder van deze website graag mijn hartelijke dank voor de gelegenheid mijn beschouwingen op dit platform met u te mogen delen.

 

Met gevoelens van oprechte achting en eerbied,

David Hume

Recente artikelen

door Michel de Montaigne • 6 november 2026
Over gewoontes - ingezonden stuk
door Christian • 2 november 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel 3
door Christian • 25 oktober 2026
Over het veranderen van begrippen
door Christian • 24 oktober 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel 2
door Rob • 17 oktober 2026
We zijn allemaal 'mee-weters'
door Rob • 20 september 2026
Christians brieven aan zijn moeder 
door Rob • 12 september 2026
Over een brief aan zijn moeder
door Friedrich Nietzsche • 6 september 2026
Over eenzaamheid
door Christian • 5 september 2026
Gezelschap en eenzaamheid - deel I
door Rob • 4 september 2026
Brieven aan een vriendin
Show More