Over gewoontes - ingezonden stuk
In de afgelopen dagen heb ik de drie artikelen over ‘Gezelschap en eenzaamheid’ van de heer Christian Garve aandachtig doorgenomen. Op zich zijn het prima artikelen, echter… in mij ontstond een niet te weerstane drang om te willen reageren.
Ik heb de beheerder van de website gevraagd of het mogelijk is om een reactie van mij op die drie artikelen op te nemen. Ik ben verheugd dat mijn verzoek positief ontvangen is en mijn reactie als artikel geplaatst is. Waarvoor op voorhand dank.
Voordat ik de reden voor mijn verzoek nader toelicht zal ik me eerst even kort voorstellen. Mijn naam is Michel de Montaigne. Ik ben Fransman, geboren in 1533, overleden in 1592. Ik leef in de tijd echter voort via mijn essays, korte en langere beschouwingen waarin ik de eigenaardigheden van de mensheid bestudeer, vooral bij mijzelf.
Mijn essays zijn in de afgelopen eeuwen veel gelezen. Andere filosofen hebben ook vaak naar mijn essays verwezen, ook de heer Garve. En de essays zijn nog steeds populair. Wellicht omdat ze een kern van het mens-zijn raken die tijdloos is. Wil je meer over me weten, zoek me dan even op internet op. Nu naar de inhoud.
Waarom een reactie?
Waarom voelde ik die enorme drang om een reactie te schrijven? Dat komt door het begrip ‘gewoonten’ dat de heer Garve als een rode draad door zijn werk verweven heeft. Zoals ik de heer Garve lees zijn ‘Gewoonten’ nodig om groepen mensen prettig (hij noemt dat ‘Artig’ (Duits woord)) met elkaar samen te kunnen laten leven.
Door als groep van mensen, als gezelschap, regels voor de omgang met elkaar af te spreken, kunnen we elkaar verdragen en het gezellig houden. Die omgangsvormen, die regels, zijn uiterlijk gericht, bedoeld om de interactie tussen mensen netjes en beleefd te houden, vooral beleefd, tot in het overdrevene toe.
Het is schijn, het is vernis, om wat er onder zit af te dekken. En wat zit er in de denkbeelden van de heer Garve onder die laag vernis? Dat zijn de drijfveren voor ‘eigen belang’ en ‘eigen gewin’. Als die loskomen, los gelaten worden, dat verwordt de groep tot een soort strijdtoneel tussen allen, wordt het oorlog. De set van afgesproken omgangsvormen geeft het doel die driften te beteugelen.
De heer Garve stelt dat die omgangsvormen geleerd moeten worden en kunnen worden. Dat ben ik met hem eens. En dat leren doe je door veel te oefenen en door het gewenste gedrag tot gewoonte te maken, zodat het vanzelf gaat, je er niet de hele tijd bewust mee bezig moet zijn. Daarom zijn ‘gewoonten’ een rode draad.
Echter, waar de heer Garve in mijn beeld de plank mis slaat, is dat hij de aangeleerde ‘gewoonten’ expliciet verbind aan het begrip ‘uiterlijke zeden’. Het grip ‘uiterlijke zeden’ koppelt hij vervolgens aan wat moreel wel en niet aanvaardbaar is.
Daarmee poneert de heer Garve dus dat het morele karakter van een groep mensen, een gezelschap, een samenleving, bepaald wordt door gewoonten die gericht zijn op de buitenkant van de mens, de uiterlijke schijn.
Anders geformuleerd, de mens kan vanbinnen zo rot zijn als een mispel, zolang zhij uit aangeleerde gewoonten aan de buitenkant het voor de groep gewenste gedrag laat zien, lijken we een moreel perfecte wezens, terwijl we het in onze essentie niet zijn. Onze binnenkant laat de heer Garve ongemoeid.
Ik ben van mening dat de heer Garve hiermee te voorzichtig blijft. Hij had best een stapje verder mogen gaan. Hij trekt zijn gedachten niet radicaal genoeg door. En ik denk dat ik de terughoudendheid van de heer Garve ook wel een beetje begrijp. Ik licht dat kort toe.
Mijn beeld op Garve en Kant
In de jaren dat de heer Garve met dit werk bezig was, had de filosoof Immanuel Kant furore gemaakt met zijn drie Kritieken (zuivere rede, praktische rede en oordeelsvorming). In 1797, Garve was toen nog met zijn boek bezig, verscheen Kants werk ‘De metafysica van de zeden’. In het voorwoord van dat werk roemt Kant de heer Garve expliciet als ‘een filosoof in de echte zin van het woord’. Ik heb het gevoel dat de heer Kant dat gedaan heeft, juist om een mogelijke kritiek van de heer Garve voortijdig de mond te snoeren.
De piketpalen tussen beide heren waren immers in de jaren daarvoor al geslagen, de markt verdeeld. De heer Garve had zich, met zijn vertaling van de boeken van Cicero, geprofileerd als de filosoof van het fatsoen. De heer Kant richtte zich juist op de binnenkant van de mens, meer specifiek op wat het verstand en de rede doen met de waarnemingen die de mens binnenkrijgt.
Als Duits boegbeeld van de Verlichting ging het bij de heer Kant tot in detail over de mens als denkend subject, hoe de denk- en redeneerprocessen in de mens plaatsvinden en hoe moraliteit gestalte krijgt; de binnenkant van de mens dus. Voor de heer Garve was dat terrein een ‘no go’. Dat was Kants kant.
Ik weet uit andere teksten van de heer Garve dat hij mijn essays gelezen heeft. Ik verbaas me toch wel een beetje dat hij in zijn beschouwingen niet refereert aan wat ik destijds in een essay over ‘gewoonten’ geschreven heb. Hij had daarmee toch een beetje meer richting de binnenkant van de mens op kunnen schuiven, zonder direct Kant ‘aan te vallen’. Het gaat dan om het essay dat met nummer 23 in mijn werk is opgenomen: “Over gewoontes en dat je eenmaal aanvaarde wetten niet zomaar veranderen moet”.
Gewoontes, zoals ik dat zie
In mijn essay geef ik heel veel voorbeelden van verschillende culturen met eigen gewoontes, die voor andere culturen juist helemaal niet gewoon zijn, en soms zelfs ronduit raar gevonden worden. Al die voorbeelden leiden vervolgens naar een stelling dat “de wetten van het geweten, waarvan wij zeggen dat de natuur ze voortbrengt, ontstaan uit gewoonte: in diens hart vereert ieder mens de in diens omgeving geaccepteerde en ingeburgerde ideeën en gebruiken, en kan zhij er zich niet los van maken zonder wroeging te krijgen. Omgekeerd geeft het conformeren daaraan juist een bepaalde mate van voldoening.”
Wat ik “wetten van het geweten” noem lees ik bij de heer Kant als ‘plicht om zijn categorisch imperatief te volgen: als er een wet gemaakt zou worden van de manier waarop je handelt, een wet waarbij het effect van dat handelen ook op jouzelf van toepassing kan zijn, zou je dan nog steeds op die manier handelen.
In mijn beeld worden die ‘wetten van het geweten’ dus gevormd door de ‘macht van de gewoonte’, hetgeen niet voor niets een tekst is die veel gebruikt wordt. De oude Grieken noemde ‘gewoontes’ zelfs de vorstin, de heerseres, van de wereld.
“De gewoonte heeft als kwalijkste gevolg dat zij zich van ons meester maakt en ons zodanig in haar greep houdt dat wij bijna niet meer in staat zijn ons aan haar te ontworstelen en tot onszelf te komen, teneinde haar regels rationeel te overdenken.
Omdat we de gewoontes met de moedermelk in ons opzuigen, met de paplepel krijgen ingegoten en de wereld zich al bij de onze eerste aanblik in deze staat aan ons toont, lijkt het inderdaad of de neiging om deze gang van zaken te volgen ons is aangeboren.”
En de algemeen aanvaarde ideeën, zoals wij die om ons heen gerespecteerd zien, en die met het zaad van onze vaders in ons gemoed zijn geprent, lijken ons dan ook universeel en van nature gegeven. Vandaar ook dat de mensen denken dat iets, zodra het buiten de perken valt van wat gebruikelijk is, ook buiten de perken gaat van wat redelijk is. En we weten inmiddels wel met hoe weinig rede de gemiddelde mens denkt; eigenlijk niet meer echt denkt!
Voor veruit de meeste mensen geldt bovendien dat ze dingen, die over gewoonten en gedrag gezegd worden, opvatten als iets wat gericht is op de anderen, nooit op hemzelf. Er is vaak heel weinig zelfreflectie. Ook dat is een macht der gewoonte.
“Wie zich bevrijden wil van het dwingende vooroordeel van de gewoonte, zal heel wat ontdekken waarvan zhij stellig dacht dat ze boven elke twijfel verheven waren. Als dit masker van de gewoonte eenmaal is afgerukt en zhij de dingen weer logisch en in hun ware aard kan zien, zal het net zijn of diens denken binnenstebuiten gekeerd is.” Er ontstaat een hele nieuwe, frisse kijk op de dingen.
Samengevat
Samengevat: gewoontes hebben de macht dat we ons niet bewust van ze zijn. Ze bepalen het hekwerk van ons denken en wat moreel goed en fout is. Daarmee vormen gewoonten niet alleen een omgangsvorm voor ‘uiterlijke zeden, zoals de heer Garve schrijft’, maar zijn ze – onbewust – ook bepalend ook onze innerlijke morele oordelen. Met andere woorden: Ook het categorisch imperatief van Kant heeft als onderste grond de gewoontes waar we in groot geworden zijn.
Het is belangrijk ons bewust te zijn van wat wij met gewoontes doen en wat gewoontes met ons doen. Pas als we ons bewust zijn van het hekwerk waarmee de gewoontes ons denkveld omheinen, kunnen we dat hekwerk gaan afbreken.
Voor een samenleving als geheel is dat doodeng om te doen, ook niet waarschijnlijk dat dat lukt. Eigenlijk kan je dat niet van een samenleving vragen. Dus, we moeten als individuen eerst zelf aan de slag, het gesprek aangaan, eerst met jezelf, dan met anderen. Maar het is lastig, lastig, gewoontedieren als we zijn.




