Vertaler of filosoof
Ik ben als filosoof bekend geworden door mijn vertalingen van het werk van andere filosofen. Dat heeft me vaak ook het verwijt opgeleverd dat ik zelf eigenlijk geen filosoof zou zijn, maar eigenlijk gewoon een vertaler. Andere tijdgenoten vonden juist weer dat ik via mijn vertalingen heb laten zien dat ik juist een filosoof was. Kortom, er is altijd wat te mekkeren.
Ik wil graag wat meer uitleggen over mijn vertaalwerk. Het is tenslotte ook zo dat ik met mijn vertaling van Cicero’s ‘Plichten’ enorme bekendheid heb gekregen. Om mijn vertaalwerk uit te leggen moeten we eerst iets terug in de tijd, in de eerste helft van de 18e eeuw, toen ik nog niet geboren was.
1e helft 18e eeuw
De periode van de Verlichting was eind 17e eeuw begonnen in Engeland. 1e helft 18e eeuw was de Verlichting uitgestraald naar ook o.a. Schotland en Frankrijk. Het geloof in het verstand, het logisch denken en de wetenschap als brengers van de waarheid vierde hoogtij. Het ene werk na het andere verscheen. Wetenschappelijke ontdekkingen volgden elkaar in rap tempo op.
Men was er heilig van overtuigd dat de samenleving verbeterd kon worden door onderwijs, kennis en hervormingen. Daarbij moest kennis gebaseerd zijn op onderzoek, waarneming en experimenten. Dat was met name de mening van de Engelse en Schotse denkers en wetenschappers.
Pruissen en andere Duitstalige landen liepen hier schromelijk op achter. Men was bang de boot te missen. Wetenschappelijk ontstond een enorme behoefte om de in Frankrijk, Engeland en Schotland verschenen werken te vertalen.
Tegelijkertijd maakte de burgerij als maatschappelijke klasse een enorme groei door. Er kwamen steeds meer goed opgeleide burgers met brede culturele en intellectuele interesses. De markt voor boeken groeide heel sterk. Men wilde lezen, lezen, lezen.
Er ontstond in de eerste helft van de 18e eeuw in de Duitstalige landen een bijna onverzadigbare honger naar boeken, vooral ook vertaalde boeken uit de landen ‘waar het gebeurde’. Pruissen was hier zeker geen uitzondering in, misschien wel koploper.
Het effect hiervan was dat vertalingen van boeken snel op de markt gebracht moesten worden. En snel betekent vaak ook slordig of gewoonweg slecht. Het was een groot aanbod van slecht vertaalde boeken. Dat snel op de markt brengen kwam ook doordat er nog geen goede wetgeving was op de rechten op boeken en vertalingen.
De wetgeving was wel binnen de naties geregeld, maar nog niet over verschillende naties heen. Voor het uitgeven van een vertaling had de uitgever die als eerste daarmee op de eigen markt kwam ook de rechten. De originele auteur uit het andere land had daar niets over te zeggen en kreeg daar ook geen opbrengsten van. De uitgeverij-branche was wild en ruig. Kwantiteit ging boven kwaliteit. Zolang het maar verkocht. Kortom, marktwerking en puur de focus op geld verdienen.
De wetenschappelijke wereld in Engeland, Schotland en Frankrijk keek dit hoofdschuddend aan. De Duitsers werd verweten alleen maar te kunnen vertalen, en geen eigen intellectuele bijdrage te kunnen leveren Duitsland was het land van vertalers, niet van denkers. De filosoof Leibniz was hierin de uitzondering.
Frederik de Grote aan de macht
In 1740 komt Frederik de Grote aan de macht. Ik ben dan nog steeds niet geboren.
Frederik heeft veel affiniteit met de Verlichting. Hij gaat er prat op een goede vriend van Voltaire te zijn. Hij wil Pruissen verlichten en vergroten. En dat is hem goed gelukt.
Onder zijn bewind moderniseerde hij het bestuur en stimuleerde hij het onderwijs en de wetenschappen. Hij was ook een groot strateeg en heeft veel gebieden veroverd, waaronder Silezië, waar ik geboren ben. Frederik de Grote heeft Pruissen omgevormd tot een van de sterkste mogendheden van Europa; zowel militair, cultureel als intellectueel.
Ik ben onder zijn bewind opgegroeid. Ik ben een kind van zijn hervormingen binnen het onderwijs. De Engelse taal was voor mij geen probleem. Ik ben dan ook vroeg in aanraking gekomen met de Engelse en Schotse denkers van de Verlichting.
Zo terugkijkend denk ik dat die hele vertaal-cultuur binnen de Duitstalige landen ons een enorm voordeel gebracht heeft in onze eigen ontwikkeling. Juist door het vertalen kwamen we, veel meer dan Frankrijk, Engeland en Schotland, in contact met denkbeelden uit andere culturele achtergronden, uit andere landen.
Hiermee kregen wij relatief een veel ruimere blik op de thematiek en konden we beter loskomen van onze eigen vooroordelen. Dat heeft ons dan weer op voorsprong gezet. Het heeft rond het jaar 1800 een enorme hoeveelheid vernieuwende denkers opgeleverd. In die periode was het Pruissen, waar het gebeurde.
Ik als filosoof en als vertaler
Als student aan de uni ben ik begonnen met theologie. Mijn interesse verschoof echter al snel naar de filosofie, met name de moraalfilosofie en de empirische filosofie. Ik ben in 1766 in Halle afgestudeerd als Magister in de filosofie. Daarna ben ik naar Leipzig verhuist.
Ik was aan de universiteit van Leipzig verbonden als hoogleraar wiskunde en logica. In die tijd deed ik ook veel vertaalwerk. Ik vertaalde zowel werken uit de Klassieke Oudheid als van – destijds – hedendaagse auteurs.
Vanwege mijn interesse in moraalfilosofie en empirische filosofie oriënteerde ik me sterk op de denkers van de Schotse Verlichting. Mijn eerste grote vertaling was het in 1769 verschenen ‘Institutes of Moral Philosophy’ van Adam Ferguson, vertaald als ‘Grundsätze der Moralphilosophie‘. Mijn vertaling verscheen in 1772 en viel op door de afwijkende manier waarop ik de vertaling had aangepakt.
Reconstruerend denken
Er zijn filosofen die, opgesloten op een zolderkamertje, in zichzelf en uit zichzelf tot de mooiste en grootste ideeën komen. Ik ben niet zo’n type filosoof. Ik heb een werk nodig van iemand anders. Een werk waarin ik me ik kan graven in diens gedachtegang. Ik moet een startpunt buiten mezelf hebben, om me eerst in die gedachten te leven, die gedachten mij eigen te maken en dan zelf verder door te denken.
Dit verschil in type filosofen is in mijn tijd vaak gebruikt om de eerste groep ‘echte’ filosofen te noemen en de tweede groep (waartoe ik behoor) als tweederangs af te schilderen. Dat gebeurt dan natuurlijk door de mensen die vinden dat ze tot de eerste groep behoren. Ik denk niet dat deze kinnesinne uniek was voor mijn tijd.
Mijn goede vriend Manso heeft in zijn ‘Essay over Garve’ uit 1801 (ik was toen al drie jaar dood) dat als volgt beschreven: "Daardoor drong hij (ik dus) dieper door in de betekenis van de afzonderlijke gedachten van de auteur, omdat hij die als het ware zelf opnieuw voortbracht. Ook zag hij de samenhang van het geheel beter, omdat zijn aandacht meer uitging naar de inhoud en de werkelijkheid waarop die samenhang berust dan naar de woorden zelf."
Tegenwoordig is er een mooie naam voor deze aanpak: ‘Reconstruerend denken’, het proces waarbij een vertaler of lezer de gedachtegang van de auteur in zijn eigen denken opnieuw doorloopt. Het is dus niet simpelweg kopiëren, maar een vorm van opnieuw voortbrengen van de gedachte.
Commentaar in de vorm van een kritiek
Maar dit is slechts één deel van mijn afwijkende aanpak van het vertalen. Tot dan was het inmiddels gewoon om een vertaling aan te kleden met voetnoten en commentaar. Daarmee werden de vertalingen kwalitatief een stuk beter dan het broddelwerk van de jaren daarvoor.
Ik deed daar nog een schepje bovenop. Zeg maar schep. Ik maakte het commentaar kritisch. Ik nam zelf stelling tegen de gedachten van de vertaalde auteur, gaf tegenargumenten, vulde leemtes in het denken aan of nam ronduit een andere stelling in.
Daarmee gebruikte ik het originele werk om het in de context van mijn eigen tijd en ruimte te plaatsen (burgerlijke samenleving in een door een vorst geregeerd Pruissen) en daar ook mijn eigen gedachtegang op los te laten. Hiermee werd het naast een vertaling vooral ook een eigen werk.
Als vorm koos ik ervoor om de vertaling als apart boek uit te brengen en mijn eigen behandeling en aanvullingen ook als apart boek uit te brengen of zelfs als meerdere boeken. Dat was op dat moment nog niet eerder op die manier gedaan.
Vertalen naar de geest
En dan was er nog een belangrijk kenmerk van mijn vertaling. Ik wil de vertaling toegankelijk maken voor een breed publiek. Mijn doelgroep was niet de academische wereld met hun stoffige achterkamertjes. Nee, mijn doelgroep was de goed opgeleide en cultureel en intellectueel ontwikkelde burgerij.
Ik vond dat dit juist het doel was van de Verlichting; de ontwikkeling van de mensen op een hoger plan brengen. Dat was ook de stuwende kracht vanuit Frederik de Grote via zijn hervormingen in het onderwijs.
Voor mijn manier van vertalen betekende dat, dat de vertaling vooral duidelijk moest zijn, goed leesbaar en begrijpelijk. Ik vertaalde het boek ‘in de geest van’ en niet ‘naar de letter’. Dit verschil is tot op de dag van vandaag een permanente discussie; is een vertaling pas goed als het werk letterlijk vertaald is of als de geest van de gedachte goed onder vertaalde woorden is gebracht.
Vanuit die houding waren mijn vertalingen eigen meer het parafraseren van de teksten; het met eigen woorden opnieuw zeggen. Dat maakte mij ook vrijer om ruimte te geven aan mijn eigen gedachten. Een goede vertaling is trouw aan de gedachte, niet noodzakelijk aan de woorden.
Ik vind nog steeds dat de vertaler niet gezien moet worden als iemand die woorden omzet, maar als iemand die:
· de gedachten van de auteur opnieuw doordenkt;
· de ideeën als het ware zelf opnieuw ontdekt of "uitvindt";
· zich richt op de zaak (die Sache) waarover de tekst gaat, en niet uitsluitend op de formulering.
Terugkijkend ben ik van mening dat deze visie voor dát moment in de tijd (1772) best als modern gezien kon worden. Zeker ook omdat veel vakgenoten het niet met mijn manier van werken eens waren, maar de grote groep lezers wel. Haha, lekker puhh.
De vertaling van mijn werk
Zoals ik al eerder heb vastgesteld, is mijn werk in de vergetelheid geraakt. Op het boek ‘Über den Moden’ na is er geen recente editie in een huidig lettertype. In het Nederlands is er geen vertaling beschikbaar.
Ik denk dat het toegevoegde waarde kan hebben voor de thema’s in de huidige tijd om mijn werk nog een keer wakker te maken. Laat het dan alsjeblieft geen 1-op-1 letterlijke vertaling zijn. Laat iemand de werken lezen, mijn gedachten doorgronden, de gedachtegang opnieuw denken en dan omzetten naar wat de tijd nu nodig heeft. En ja, wees daar kritisch in. Net als ik dat was.
Ik heb dat in het voorwoord van mijn vertaling van de Ethiek van Aristoteles (1798, net voor mijn dood) als volgt opgeschreven: “De vertalers van mijn werk moeten de vrijheid hebben mijn formuleringen zo aan te passen dat mijn gedachten voor hun tijdgenoten beter begrijpelijk worden. De vertaling moet niet liggen in het trouw blijven aan de letterlijke woorden maar in het zo helder mogelijk overbrengen van de gedachte van de auteur aan een nieuw publiek.”
Ga je gang! Maak er iets moois van waar de mensen iets aan hebben.




