Hoe de ontmoeting met de koning mijn leven heeft veranderd
Als je de gelegenheid neemt om op je leven terug te kijken dan krijg je inzicht op de momenten die blijkbaar richtinggevend zijn geweest; momenten die cruciaal waren voor het verdere verloop van je wandeling door het leven.
Kierkegaard zou dit inzicht later als tegeltjeswijsheid formuleren via 'Het leven kan alleen achterwaarts begrepen worden, maar moet voorwaarts worden geleefd'. Overigens, ik hou van Kierkegaard. Naast de gedeelde zwakke gezondheid en ongelukkigheid in de liefde, hadden we het denk ik goed met elkaar kunnen vinden, als we in hetzelfde tijdsgewricht geleefd zouden hebben. Maar terug naar dat cruciale moment in mijn leven.
Het was in 1779. Ik was al weer 7 jaar weg bij de universiteit van Leipzig, woonde met mijn moeder in het ouderlijk huis en sleet mijn dagen als zogenoemde 'Privat Gelehter'. Dit betekende zoveel dat ik nog wel als geleerde bezig was, maar niet verbonden aan wat dan ook. In de periode tussen 1772 en 1779 had ik ook niet veel gepubliceerd. Toch bleek ik nog een beroemde 'zoon' van de stad Breslau te zijn.
Frederik de Grote (de koning van Pruissen) was in Breslau voor het voeren van onderhandelingen over een te bereiken vrede met Oostenrijk. Het was een gekke kwestie over heerschappij over Beieren met veel dreiging en weinig vechten. De kwestie in de geschiedenis ingegaan als de 'Kartoffelkrieg'. Stomme naam.
Frederik de Grote was een omstreden vorst. Hij had duidelijke beelden bij de Verlichting, componeerde kamermuziek en was een vriend van de Franse filosoof Voltaire. Voltaire kwam vaak bij hem over de vloer in Potsdam. Aan de andere kant was hij een briljant strateeg en een meedogenloze veroveraar met 'landje pik'. Onder zijn bewind is Pruisen ook echt Pruisen geworden, met een grote P. Het gebied waar ik woonde, Silezië, had hij al in 1740/1741 veroverd. Ik ben geboren in 1742. Daardoor ben ik een Pruis en geen Sileziër. Ik moet bekennen dat ik grote bewondering voor Frederik de Grote heb gehad. Ik voelde me dan ook vereerd om op audiëntie te mogen komen.
"Ik bied je als lezer tussentijds vast excuses aan. Ik zit nogal op de praatstoel vandaag."
Frederik wilde niet alleen een beetje 'klatsch & tratsch' babbelen. Hij had een serieuze vraag aan me. Hij vroeg me of ik een vertaling wilde maken van 'De Officiis'; het beroemde werk van Cicero over de plichten en fatsoen.
Ik had daar niet direct zin aan. Het betreffende werk was in de afgelopen 25 jaar al twee keer in het Duits vertaald geweest, en dat waren beide goede vertalingen. Frederik drong echter aan op een nieuwe vertaling van mijn hand. Ik had geen echte argumenten om dat verzoek, die opdracht, te weigeren.
Ik ben aan de slag gegaan, maar ik heb aan de vertaling wel mijn eigen draai gegeven; een twist die Frederik niet had zien aankomen, denk ik. Frederik zag in Cicero's 'De Officiis' een handboek voor staatsmanschap en burgerlijke deugd. Dus ter meerdere eer en glorie van zijn eigen koningschap.
Ik maakte er echter iets anders van: een uitvoerige moraalfilosofische beschouwing die de tekst toepaste op de moderne samenleving.
Bij het vertalen besefte ik dat Cicero zijn plichten en fatsoensnormen had gericht op de Romeinse samenleving van zijn tijd en vanuit zijn rol als staatsman. Ik wilde het gedachtegoed van Cicero projecteren op de actuele samenleving in Pruissen; een door en door burgelijke samenleving met een aristocratische toplaag.
Ik was van mening dat Cicero onvoldoende aandacht had besteed aan de huiselijke en familiale plichten van de mensen als burger van een samenleving. Dit betekende echter niet dat ik het handelen van de burger beperkte tot de privésfeer, waar men economisch productief kon zijn en zich uitsluitend met zijn eigen Bildung (zelfvorming) bezighield.
Integendeel, volgens mij zijn nuttige burgers juist degenen die zich inzetten voor maatschappelijke omgang (sociability) en politieke betrokkenheid, die veel breder is dan in de tijd van Cicero zelf.
En dan nog een twist. Ik stelde dat morele handelingen niet alleen worden beoordeeld naar hun motieven (zoals Kant beweerde), maar ook naar hun gevolgen voor de samenleving als geheel (het standpunt van utilisten als Bentham).
Het resultaat was dus een vertaling, die niet alleen een vertaling in taal was maar nadrukkelijk ook een vertaling in de tijd en aansloot op de Pruisische samenleving van dat moment.
Ik had het boek in 1783 af. Het is in 1784 gepubliceerd. Frederik was er in eerste instantie bedenkelijk over. Het was niet helemaal zoals verwacht. Maar als verlicht vorst zag hij toch ook echt de meerwaarde voor het brengen van de ideeën van de Verlichting onder zijn burgers. Ik heb er een jaarlijkse toelage van Frederik aan overgehouden.
Daarnaast bleek het boek heeeeeel populair en beleefde herdruk na herdruk. Ook begreep ik dat Immanuel Kant, de grote Kant, door dit boek is beïnvloed in zijn denken over de plichten en zeden. Ook dat voelde goed.
Achteraf is dit mijn meest populaire werk geweest en heeft het mij weer een nieuwe impuls gegeven tot denken en schrijven, met als centraal thema: 'Hoe moet een mens handelen binnen de samenleving waarin hij woont, werkt en lief heeft'. Een mens tussen mensen.
Dat alles viel toen nog onder de filosofie. Later heeft men voor deze thematiek een eigen discipline bedacht: de sociologie. Maar daarover een andere keer meer.


